De wereld om ons heen verandert voortdurend door de invloed van natuur en mens.

Je leert over verschillende onderwerpen op fysisch, politiek, economisch, demografisch en sociaal-cultureel gebied. Hierdoor weet je veel van allerlei maatschappelijke onderwerpen wereldwijd en kun je relaties leggen. Vooral leer je complexe onderwerpen snel te analyseren en oplossingen te bedenken.

Aardrijkskunde is een wereldvak, waarmee je de wereld kunt ontdekken.

Via de labels kun je zoeken op aardrijkskunde examenonderwerp voor HAVO en VWO.


Je ontdekt bijzondere foto's en de belevenissen van een bevlogen docente aardrijkskunde en geschiedenis.

Pol Education & Coaching & Writing
Educatieve teksten, toetsen en training.
CEDEO Erkend Coach en opleider in de school.

drs. Rini van der Pol
Sliedrecht NL
Rome IT 2012 - 2016
Ankara Turkije 2016 - 2019

vrijdag 22 januari 2010

Arm en rijk Ontwikkelingshulp WRR rapport samenvatting 2010

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Rapport Ontwikkelingshulp: Minder pretentie, meer ambitie
Samenvatting
180110

Ontwikkelingshulp staat de laatste jaren volop ter discussie. Ook in de media worden openlijk vraagtekens geplaatst bij de effecten van hulp – met name de situatie in Afrika stelt velen teleur.

De WRR constateert dat het onmogelijk is zinvolle uitspraken te doen over de betekenis van ontwikkelingshulp op basis van algemene oordelen over de ontwikkeling van hele continenten in de loop van de afgelopen zestig jaar.

De ontwikkeling van een land wordt door veel verschillende factoren bepaald en hulp is er daar slechts één van. Van minstens zoveel belang zijn buitenlandse investeringen, internationale handel, het geld dat migranten terugzenden naar hun land van herkomst, de aan- of afwezigheid van financiële stabiliteit, de grondstofprijzen op de wereldmarkt, en niet te vergeten interne conflicten.

Hulp kan hooguit een katalysator zijn voor ontwikkeling en dan nog alleen onder specifieke voorwaarden. Die voorwaarden zijn meestal ten dele vervuld. Zo zijn overheden in ontwikkelingslanden vaak weinig effectief. Het belang van regerende elites speelt meestal een belangrijkere rol bij hun beslissingen dan het algemene belang.

Of ‘dé hulp helpt’ hangt ook samen hoe ontwikkelingshulp vorm krijgt. Veel hulp is niet gericht op ontwikkeling, maar heeft andere doelen. Zo diende tijdens de Koude Oorlog hulp om welgevallige regimes in het zadel te houden. En hulp is veelal gericht op het verbeteren van primaire levensomstandigheden van mensen die in armoede leven.



Driekwart van het Nederlandse ontwikkelingsbudget wordt besteed aan gezondheidszorg en onderwijs, en nog geen kwart aan infrastructuur, landbouw en economische bedrijvigheid. Nu is het bieden van sociale zorg vanuit humanitair oogpunt belangrijk, maar het leidt niet automatisch tot de structurele veranderingen die groei en ontwikkeling bevorderen en die landen zelfredzaam maken.



De toenemende druk in de media en in de politiek om op korte termijn concrete resultaten te laten zien, is evenzeer een rem op investeringen die pas op lange termijn rendement tonen. En daarbij komt bovendien nog het probleem dat de hulp enorm versplinterd is: een doorsnee ontwikkelingsland
heeft te maken met 33 donoren.

Intussen is het belang van goede ontwikkelingshulp de laatste jaren alleen maar toegenomen. Lange tijd werd ontwikkelingshulp gezien als een morele opdracht. Maar nu we mondiaal steeds meer afhankelijk van elkaar worden, is het eigenbelang om te investeren in een redelijk bestaan voor iedereen.

Tussen 1950 en 2050 verviervoudigt de wereldbevolking en stijgt het inkomen per inwoner met een factor negen. De strijd om ruimte, grondstoffen, energie en voedsel zal zich verhevigen, zeker als steeds duidelijker wordt dat deze zaken (in wisselende mate) eindig zijn. Ontwikkelingshulp kan een rol spelen bij een verantwoorde duurzame globalisering.


Bevolkingsgroei wereld tot 2050 volgens vier scenario's. Bron: VN 2006

Ontwikkelingshulp kent vele successen en vele mislukkingen. Men kan daarvan leren en de kwaliteit van ontwikkelingshulp verbeteren.

Twee lessen zijn volgens de WRR belangrijk: ontwikkelingshulp moet meer bijdragen aan ontwikkeling en het zelfredzaam maken van landen en minder accent leggen op directe armoedebestrijding. En ontwikkelingsbeleid moet zich niet beperken tot klassieke hulp,  maar zich  oriënteren op grote mondiale vragen.

Ontwikkelingsgerichter

De opgave om hulp meer ontwikkelingsgericht te maken betekent voor Nederland een forse wijziging van de organisatie van ontwikkelingshulp. Allereerst dient deze landenspecifiek te worden.
De vraag hoe ontwikkeling verder gaat, varieert van land tot land. Goede landenanalyses moeten het uitgangspunt vormen voor beleid. Dat is nu te weinig het geval.



Een tweede vereiste is dat hulp professioneel wordt vormgegeven. Dat kan het beste door in een aantal ontwikkelingslanden een eigen ontwikkelingsorganisatie tot stand te brengen – de WRR stelt voor die NLAID te noemen.

Een structuur met landenvestigingen die een organisatorische eenheid vormen, kan grondige kennis over de ontvangende landen opbouwen en langdurige relaties aangaan. Maar ook om op maat de juiste deskundigheid uit Nederland of elders te mobiliseren.

Een dergelijke structuur bevordert bovendien dat er programmatisch gewerkt wordt: wie de landbouw wil verbeteren, moet immers niet alleen verstand hebben van technieken om het land te verbouwen, maar ook van de aanschaf van kunstmest, van de voorwaarden die Europa aan import oplegt, van de kansen op het vinden van afzetmarkten voor diverse gewassen, en van het organiseren van de plaatselijke boeren in samenwerkingsverbanden die bij hen passen.

Minder pretentie, meer ambitie

Op ontwikkeling gerichte hulp moet, ten derde, vorm krijgen als een lerend systeem met investeren in kennis. Nederland heeft een te magere kennisinfrastructuur op het terrein van ontwikkelingshulp, en begint internationaal achter te lopen. Kennisontwikkeling dient overigens met evenveel kracht gesteund te worden in ontwikkelingslanden zelf. Er zouden in Afrika, Azië en wellicht ook Europa snel concurrenten moeten komen voor de Wereldbank.

Ten vierde is aandacht vereist voor de waaier aan effecten van hulp in ontwikkelingslanden. Hulp kan zorgen voor afhankelijkheid en grijpt in (ten goede of ten kwade) in de lokale machtsverhoudingen. Continue reflectie en zo nodig bijstelling van de manier waarop de hulp gegeven wordt, is noodzakelijk. Dus geen jaarlijkse bestedingsdruk, maar een financieringsmodel waarin de beschikbare middelen over een langere periode beschikbaar komen.

Tot slot moet hulp gericht op ontwikkeling zich ook specialiseren en concentreren. Dat zorgt voor toegevoegde waarde van de Nederlandse hulp, maakt de resultaten van hulp hier zichtbaarder en gaat in tegen de voortgaande versplintering van de organisatie van hulp.

Specialiseren kan op terreinen waar Nederland sterk in is of in wil zijn, zoals landbouw, water, de rechtstaat en de bestrijding van hiv/aids. Maar ook het versterken van de civil society of steun bij de vormgeving van regionale verbanden.

Bij concentratie hoort een keuze voor een beperkt aantal landen. Om voldoende slagkracht te hebben, zijn dat er niet meer dan tien. Die landen zullen zich voor het overgrote deel in Afrika bevinden, want daar blijft de ontwikkeling en verantwoorde globalisering het sterkst achter.

Proberen om met hulp bij te dragen aan ontwikkeling raakt niet alleen de inspanningen van de Nederlandse overheid, maar ook die van bedrijven, burgers en ngo's. Het bedrijfsleven moet gestimuleerd worden om een ontwikkelingsgerichte rol te vervullen.

De consequenties zijn echter het grootst voor de rol van ngo’s. Nu is er het medefinancieringsstelsel, waarin zuidelijke ngo’s geld ontvangen via westerse ngo’s. Daarbij zijn westerse ngo’s in een groot aantal landen aanwezig met relatief kleine projecten met te weinig resultaat. De zuidelijke ngo’s kunnen in de toekomst rechtstreeks worden aangestuurd vanuit NLAID. De westerse ngo’s zullen door specialisatie en concentratie hun eigen toegevoegde waarde nadrukkelijker inhoud moeten geven.



Breder

Gericht ontwikkeling stimuleren in een beperkt aantal landen zal zinvol en nodig blijven. Tegelijkertijd is het zaak om ontwikkeling op een veel bredere manier te gaan benaderen.

Stabiliteit en veiligheid, handelscondities die ontwikkeling faciliteren, het tegengaan van belastingontduiking en een fair fiscaal stelsel dat bedrijven er niet toe verleidt hier belasting te betalen in plaats van in ontwikkelingslanden, minder stringente intellectuele eigendomsrechten voor armere landen, een productiever beleid rond kennisuitwisseling, en een beter doordacht migratiebeleid kunnen belangrijker zijn voor de ontwikkeling van landen dan de klassieke, ter plekke verleende hulp.



Daarnaast wordt de zorg voor mondiale publieke goederen, zoals financiële stabiliteit,
klimaatbeleid, en het uitbannen van besmettelijke ziektes, steeds belangrijker. Niet alleen arme landen maar ook rijke landen hebben hier baat bij. De druk om rond mondiale publieke goederen mondiaal afspraken te maken en mondiaal te handelen, zal de komende tijd alleen maar toenemen.

De belangrijkste opgave is hier om manieren te vinden om onze globaliserende wereld zo in te richten dat gemeenschappelijke belangen enerzijds, en de ruimte voor landen en volken om hun eigen toekomst inhoud te geven anderzijds, in balans blijven.



Het is niet eenvoudig om hier goed inhoud aan te geven, het is wel zaak er nadrukkelijk op in te zetten. Dat kan door te investeren in kennis – een goed kennisnetwerk op het gebied van global issues kan veel betekenen. Ngo’s kunnen deze kwesties meer onder de aandacht brengen en de belangen van ontwikkelingslanden nadrukkelijker aan de orde stellen.

Ook de politiek-bestuurlijke aandacht voor bredere vraagstukken dient beter georganiseerd te worden. Dat kan door een Nederlandse globaliseringsstrategie. Dat moet komen in de portefeuille van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Bovendien moeten er betere verbindingen gelegd worden tussen vakdepartementen en het ministerie voor Buitenlandse Zaken.



Deze benadering is ook een relativering van de fixatie op de 0,7 procent van het nationaal inkomen die aan hulp wordt gegeven.



Dat percentage kan beter vervangen worden door een getal waarin ook tot uitdrukking komt wat Nederland doet op andere terreinen die ontwikkelingsrelevant zijn, zoals de zorg voor mondiale publieke goederen.

Minder pretentie, meer ambitie

Ontwikkelingshulp is en blijft een moeilijke activiteit. Simpele recepten zijn niet te geven en successen zijn bepaald niet gegarandeerd. Schone handen houden is, gezien de situatie in de meeste ontwikkelingslanden is vaak ondoenlijk.

Tegelijkertijd is kan onder de juiste condities worden bijgedragen aan ontwikkeling. Dat is zelfs steeds duidelijker in ons eigen belang. ‘Minder pretentie, meer ambitie’ zou dan ook het motto van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid voor de komende tijd moeten zijn.

Link: bewerkt naar
http://www.wrr.nl/