De wereld om ons heen verandert voortdurend door de invloed van natuur en mens.

Je leert over verschillende onderwerpen op fysisch, politiek, economisch, demografisch en sociaal-cultureel gebied. Hierdoor weet je veel van allerlei maatschappelijke onderwerpen wereldwijd en kun je relaties leggen. Vooral leer je complexe onderwerpen snel te analyseren en oplossingen te bedenken.

Aardrijkskunde is een wereldvak, waarmee je de wereld kunt ontdekken.

Via de labels kun je zoeken op aardrijkskunde examenonderwerp voor HAVO en VWO.


Je ontdekt bijzondere foto's en de belevenissen van een bevlogen docente aardrijkskunde en geschiedenis.

Pol Education & Coaching & Writing
Educatieve teksten, toetsen en training.
CEDEO Erkend Coach en opleider in de school.

drs. Rini van der Pol
Sliedrecht NL
Rome IT 2012 - 2016
Ankara Turkije 2016 - 2019

vrijdag 1 januari 2010

Arm en rijk Wereldvoedselvoorziening 2009

Introductie; 1. Geschiedenis; 2. Ontwikkelingslanden;
3. Voedselhulp

INTRODUCTIE

Wereldvoedselvoorziening, de productie en het transport van voedsel in relatie tot de voedselconsumptie op wereldschaal. De VN-organisatie die zich bezighoudt met het wereldvoedselvraagstuk, is de Food and Agriculture Organization, de FAO.

1. GESCHIEDENIS

Heel de geschiedenis door zijn er voedseltekorten geweest, met als gevolg hongersnood. De oorzaken ervan waren veelal plotseling optredende calamiteiten zoals droogte, overstromingen, ziekten en plagen. Ook oorlogen verstoren vaak voedselproductie en -transport.

Tegenwoordig is er voldoende voedsel op aarde en is er voldoende productiecapaciteit in de vorm van geschikte gronden om de wereldbevolking te voeden, ook indien de groei van de wereldbevolking zich voorlopig ongewijzigd zou voortzetten. Toch wordt ook vandaag nog op grote schaal honger geleden.

De belangrijkste oorzaken daarvan zijn de grote verschillen tussen regio’s in voedselproductie per hoofd van de bevolking en de ongelijke verdeling van de koopkracht en dus van voedsel binnen regio’s met geringe voedselproductie.

2. ONTWIKKELINGSLANDEN

Het voedselprobleem spitst zich toe op ontwikkelingslanden, die veel minder mogelijkheden hebben om de voedselvoorziening te garanderen. In die landen is de bevolkingsgroei vaak groter en het klimaat ongunstiger en deze factoren zijn (zeker op korte termijn) moeilijk te beïnvloeden. Daarnaast zijn er factoren die verband houden met het door ontwikkelingslanden zelf gevoerde beleid.

Factoren die bijdragen aan de huidige problemen op het terrein van de wereldvoedselvoorziening zijn:

a. het prijsniveau dat overheden in veel landen vaststellen voor landbouwproducten is te eenzijdig gericht op de belangen van de stedelijke bevolking. Dat betekent dat de prijzen laag worden gehouden. Lage prijzen stimuleren de boeren onvoldoende om meer te produceren dan zij nodig hebben voor hun eigen behoeften;

b. de ongelijke inkomensverdeling veroorzaakt onvoldoende koopkracht bij grote groepen van de samenleving die doorgaans ook de meest kwetsbare zijn;

c. veel ontwikkelingslanden hebben geruime tijd vooral prioriteit gegeven aan een snelle industriële ontwikkeling en het produceren van voor export bestemde gewassen, waarbij de eigen voedselproductie ernstig werd verwaarloosd; te denken valt onder andere aan de dreigende overbevissing van het Victoriameer, waarbij de goede delen van de vis richting het Westen en Oost-Europa werden gevlogen, vaak in ruil voor wapens, terwijl het visafval overbleef voor de plaatselijke bevolking;

d. er bestaat onvoldoende aandacht voor de productiemogelijkheden van kleine boeren en onwil om landhervormingen door te voeren, die nodig zijn voor een optimaal gebruik van geschikte gronden;

e. gebrek aan infrastructurele voorzieningen (distributie, opslag, transport) leidt er vaak toe dat voedsel niet (tijdig) vervoerd of opgeslagen kan worden, waardoor grote verliezen optreden;

f. een overgewaardeerde wisselkoers benadeelt lokale producenten, omdat het de invoer van concurrerende producten goedkoper maakt en de export ontmoedigt;

g. corruptie onder ambtenaren en managers van bedrijven leidt ertoe dat de financiële structuur van bedrijven verzwakt en bedrijven failliet gaan;

h. de concentratie van ontwikkelingsorganisaties in de grote steden veroorzaakt een trek van het platteland naar de steden met als gevolg een verergering van de achterstanden in de landbouw.

Naast een verkeerd beleid door overheden van ontwikkelingslanden, is ook het beleid van Westerse landen, van supranationale overheden en van internationale organisaties schuldig aan de blijvende achterstand van de economieën in ontwikkelingslanden. Westerse landen en organen zoals de EU hebben door landbouwsubsidies de Westerse landbouwproducten zo goedkoop gemaakt dat de exportproducten uit ontwikkelingslanden er niet tegen konden concurreren.

3. VOEDSELHULP

Voedselhulp is in een aantal situaties de enige manier om mensen van de hongerdood te redden. Er zijn echter redenen om bij de verstrekking ervan de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen.

Allereerst kunnen er infrastructurele en organisatorische tekortkomingen zijn, waardoor het voedsel niet altijd de armsten of de meest hulpbehoevenden bereikt, maar blijft hangen bij een tussenlaag of tussenstation.

In de tweede plaats versterkt de beschikbaarheid van voedsel in de steden in combinatie met het onvermogen dit naar het platteland te vervoeren, de trek van het platteland naar de steden.

In de derde plaats kan langdurige voedselhulp, die niet aansluit bij bestaande consumptiepatronen, leiden tot wijzigingen in deze patronen en vergroting van de afhankelijkheid van bepaalde uitheemse soorten voedsel. De productie van lokale gewassen wordt daardoor negatief beïnvloed.

In de vierde plaats kan gewenning ontstaan aan langdurige voedselhulp waardoor de bekwaamheid en de wil om zelf voedsel te produceren afneemt (aid recipient mentality). Dat maakt overheden bovendien politiek afhankelijk van andere landen.

In de vijfde plaats gaat er van de lage prijzen waartegen overheden van ontwikkelingslanden het via hulp verkregen voedsel aanbieden een negatieve invloed uit op de binnenlandse voedselproductie. Voor boeren vervalt de economische prikkel om meer te produceren.

Naast de negatieve effecten van voedselhulp voor ontwikkelingslanden kan de verstrekking van voedselhulp ook de belangen van de schenkende landen dienen, namelijk om van eigen overschotten af te komen.

Men kan stellen dat voedselhulp geen oplossing biedt indien zij niet vergezeld gaat van maatregelen die erop gericht zijn de productiecapaciteit en de koopkracht van het ontvangende land te vergroten. Zoals wel gezegd wordt: geef ze niet alleen vis, geef ze bovendien een hengel.