De wereld om ons heen verandert voortdurend door de invloed van natuur en mens.

Je leert over verschillende onderwerpen op fysisch, politiek, economisch, demografisch en sociaal-cultureel gebied. Hierdoor weet je veel van allerlei maatschappelijke onderwerpen wereldwijd en kun je relaties leggen. Vooral leer je complexe onderwerpen snel te analyseren en oplossingen te bedenken.

Aardrijkskunde is een wereldvak, waarmee je de wereld kunt ontdekken.

Via de labels kun je zoeken op aardrijkskunde examenonderwerp voor HAVO en VWO.


Je ontdekt bijzondere foto's en de belevenissen van een bevlogen docente aardrijkskunde en geschiedenis.

Pol Education & Coaching & Writing
Educatieve teksten, toetsen en training.
CEDEO Erkend Coach en opleider in de school.

drs. Rini van der Pol
Sliedrecht NL
Rome IT 2012 - 2016
Ankara Turkije 2016 - 2019

donderdag 21 januari 2010

Arm en rijk Ontwikkelinghulp ter discussie 2010

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Rapport Ontwikkelingshulp: Minder pretentie, meer ambitie
Den Haag, 180110

Ontwikkelingshulp staat volop ter discussie. De wereld is er op veel punten beter aan toe dan zestig jaar geleden, maar steeds vaker wordt de vraag gesteld wat de bijdrage van hulp aan die ontwikkeling is geweest. De vooruitgang tekent zich vooral de laatste decennia af.

De laatste vijfentwintig jaar is de levensverwachting in alle ontwikkelingslanden samen met tien jaar gestegen, en het percentage kinderen dat naar school gaat verdubbeld. Ook is de armoede in de wereld gehalveerd tot een kwart van de wereldbevolking, een succes dat echter vooral in Azië is geboekt: China alleen is verantwoordelijk voor driekwart van die daling.

In Sub-Sahara Afrika is het reële inkomen de laatste vijfentwintig jaar weliswaar verdubbeld, maar het percentage mensen dat leeft van een inkomen onder de armoedegrens is niet gedaald.

Kunnen de successen op rekening van ontwikkelingshulp worden geschreven, of kan het uitblijven van succes geweten worden aan ontwikkelingshulp? In beide gevallen luidt het antwoord ontkennend.

Aan de enorme sprongen die in Azië zijn gemaakt, heeft ontwikkelingshulp zeker bijgedragen – van de economische steun aan Taiwan en Zuid-Korea in de jaren vijftig tot de hulp bij de verbetering van de landbouw in India in de jaren zeventig. Die bijdrage was echter beperkt – er waren allerlei andere factoren van belang.

Omgekeerd valt het uitblijven van succes, in het bijzonder in Sub-Sahara Afrika, niet eenduidig te herleiden tot het falen van hulp. Veel hulp, zeker tot de jaren negentig, had vooral geopolitieke doelstellingen. Tot op de dag van vandaag is veel hulp bovendien vooral gericht op het verbeteren van de directe leefomstandigheden van de armen, in plaats van op ontwikkeling.
Bovendien zijn de economische, politieke en sociale structuren van Afrikaanse landen van een geheel eigen orde.

Deze landen tonen nog duidelijk de sporen van de kolonisatie, met gekunstelde grenzen en instituties die nauwelijks geworteld zijn in de samenleving. Sterke overheden met een duidelijk zicht op de toekomstige ontwikkeling van hun land, zijn in Afrika, anders dan in Azië, zeldzaam.

Simpele analogieën tussen ontwikkelingspaden in verschillende delen van de wereld zijn snel misleidend. Zo gaat een parallel tussen ontwikkelingshulp en Marshallhulp mis, want Marshallhulp begon als een poging om Europa na de oorlog te herbouwen. Dat was het weer op de been helpen van een voorheen gezonde patiënt, maar veel van de landen die nu hulp nodig hebben, hadden nooit eerder een gezonde markteconomie of een functionerend staatssysteem.

Ook de startsituatie in de Aziatische landen die zich de afgelopen decennia razendsnel wisten te ontwikkelen, was heel specifiek. Japan, Zuid-Korea en Taiwan konden integreren in een wereldmarkt die vele malen minder gereguleerd en (over)bezet was dan de huidige wereldmarkt – Afrikaanse landen die nu willen produceren voor de export hebben niet alleen te maken met geduchte concurrenten als China en de landen in Zuidoost-Azië, maar ook met een breed scala aan eisen dat aan producten en productieprocessen gesteld wordt. Ontwikkelingstrajecten zijn dus bij uitstek land- en tijdspecifiek.

De eerste les die we uit zestig jaar ontwikkelingshulp moeten trekken, is dan ook dat we bescheiden moeten zijn. Bescheidenheid past allereerst vanwege de relatieve betekenis van hulp. Ontwikkeling is maar in zeer beperkte mate afhankelijk van ontwikkelingshulp. Dat geldt in financiële zin: buitenlandse investeringen en geld dat migranten naar huis terugzenden, zijn voor de meeste ontwikkelingslanden grotere geldstromen dan hulp. Het geldt ook in institutionele zin: met uitzondering van de hulp aan fragiele landen en de allerarmste landen zijn financiële overdrachten niet per se de beste instrumenten om bij te dragen aan ontwikkeling.

Unilaterale concessies in handelsverdragen, strakkere belastingregulering op mondiale schaal die ook geldt voor multinationals in het Westen, financiële stabiliteit, minder strikte intellectuele eigendomsrechten, afschaffing van belastingparadijzen, kennis over een klimaatvriendelijke ontwikkeling van zowel landbouw als bedrijven, transportsystemen en steden, en de teruggave van gestolen geld dragen in de meeste landen meer bij aan ontwikkeling dan klassieke hulp.

Bescheidenheid zou ook onze denkschema’s sieren. Te lang is geprobeerd om met grote schema’s universele verklaringen te geven voor een veelheid aan specifieke situaties en om vervolgens al even universele recepten uit te schrijven. In voorgaande decennia waren dat macro-economische hervormingen en good governance, en de laatste jaren zijn investeringen in sociale sectoren populair, maar in alle gevallen waren die recepten te algemeen.

Na zestig jaren generaliseren is duidelijk geworden dat specificiteit vereist is, omdat het onmogelijk is om in het algemeen te zeggen wat het beste werkt en waarom. De les is onontkoombaar: landen in Azië, zoals China en India, die zich weinig aantrokken van de westerse economische orthodoxie en die pragmatisch en creatief te werk gingen, maakten een ongekende ontwikkeling door, terwijl de groei achterbleef in landen in Latijns-Amerika en Afrika, die mede onder druk van het IMF moesten proberen zich om te vormen langs de algemene richtlijnen van de Washington Consensus.

Bovendien verandert de wereld. China, India en Brazilië zijn belangrijke  wereldspelers geworden, en dat proces is nog versneld door de huidige financiële crisis waartegen deze landen, met een grotere rol van de overheid, juist ook in de financiële sector, beter bestand blijken dan westerse landen.

De wereld wordt in snel tempo drukker en interdependenter, de wereldbevolking zal tussen 1950 en
2050 naar verwachting verviervoudigen en, als de huidige trend aanhoudt, negen keer zo rijk worden. Dat betekent dat de sociale, fysieke en duurzaamheidsgrenzen de komende decennia meer en meer in zicht komen. Ontwikkeling zelf krijgt daardoor ook in toenemende mate een regionaal en mondiaal karakter.

Klimaat, handel, migratie, energie en veiligheid maken dat nationaal beleid steeds minder pretentie, meer ambitie minder alleen bepalend is; de druk om mondiaal te handelen en afspraken te maken, zal alleen maar toenemen.

De belangrijkste opgave daarbij is manieren te vinden om deze globaliserende wereld zo in te richten dat gemeenschappelijke belangen enerzijds, en de ruimte voor landen en volken om hun eigen toekomst inhoud te geven anderzijds, in balans blijven. Dat kan alleen als alle landen en volken het idee hebben dat ze een plek hebben, meetellen en mee kunnen komen in het geheel. De ontwikkeling van arme landen wordt in dat opzicht steeds meer een onontkoombare noodzaak.

Zo zijn er pleitbezorgers van hulp die stug blijven volhouden dat we voor enkele triljoenen dollars de wereld blijvend vrij kunnen maken van armoede (niet in de laatste plaats door de inzet van de vele televisieberoemdheden die hun Bono-moment willen beleven). De empirische basis voor deze stelling is echter afwezig: was het maar zo dat we voor een redelijk bedrag een betere wereld konden kopen. Het is echter onmogelijk om landen van buitenaf met één grote beweging ‘uit de armoede’ omhoog te tillen.

Omgekeerd is scepsis over de zin van hulp eveneens wijdverbreid. Met name het idee dat in Sub-Sahara Afrika de voorwaarden niet vervuld zijn waaronder ontwikkelingshulp een katalyserende functie zou kunnen hebben, maakt velen somber. Het beeld van structuren met corruptie en van lokale elites met een schreeuwend gebrek aan  verantwoordelijkheidsgevoel, is snel opgeroepen. Dat beeld is niet geheel incorrect, maar te eenzijdig. Ontwikkelingslanden verschillen van elkaar en zijn complexe grootheden, met allerlei vormen van dynamiek. Het gaat erom daar op intelligente wijze bij aan te sluiten en de juiste ontwikkelingsprocessen te faciliteren.

De vraag of ontwikkelingshulp helpt valt dan ook niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Dat blijkt ook uit zestig jaar evaluatieonderzoek. De ontwikkeling van landen wordt door zoveel verschillende factoren beïnvloed en is bovendien zo complex dat iedere poging om een algemeen antwoord te geven, op uitzonderingen stuit. Dat er soms projecten en initiatieven mislukken, is bij nader inzien ook niet vreemd. In complexe situaties is handelen altijd een kwestie van uitproberen, van experimenteren. Dat er af en toe iets mislukt is dan ook niet erg, het is wel zaak om ervan te leren. Dat vereist het telkens opnieuw stellen van de vraag onder welke omstandigheden welke vorm van hulp nuttig is. Dat is niet eenvoudig, maar wel productief. Het vooropstellen van specificeren en leren vergt
wel een heroriëntatie van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

 
Link: bewerkt naar WRR-rapport nr. 84 Minder pretentie, meer ambitie
http://www.wrr.nl/