De wereld om ons heen verandert voortdurend door de invloed van natuur en mens.

Je leert over verschillende onderwerpen op fysisch, politiek, economisch, demografisch en sociaal-cultureel gebied. Hierdoor weet je veel van allerlei maatschappelijke onderwerpen wereldwijd en kun je relaties leggen. Vooral leer je complexe onderwerpen snel te analyseren en oplossingen te bedenken.

Aardrijkskunde is een wereldvak, waarmee je de wereld kunt ontdekken.

Via de labels kun je zoeken op aardrijkskunde examenonderwerp voor HAVO en VWO.


Je ontdekt bijzondere foto's en de belevenissen van een bevlogen docente aardrijkskunde en geschiedenis.

Pol Education & Coaching & Writing
Educatieve teksten, toetsen en training.
CEDEO Erkend Coach en opleider in de school.

drs. Rini van der Pol
Sliedrecht NL
Rome IT 2012 - 2016
Ankara Turkije 2016 - 2019

donderdag 1 juli 2010

Examen Algemene vaardigheden 2010

Algemene vaardigheden voor het SE en CE aardrijkskunde (wat je moet kunnen):

1. Aardrijkskundige zaken verklaren m.b.v. fysisch-geografische en sociaal-geografische factoren.

A Voorbeelden van fysische (of natuurlijke) factoren zijn:
weer en klimaat, bodem, geologie en reliĆ«f.

B Voorbeelden van sociale (of menselijke) factoren zijn:
de terreinen van de economie, de demografie, de cultuur en de politiek.

2. Gebruik Grote Bosatlas:

- de algemene inhoudsopgave

- het alfabetisch register (achterin de atlas)

- de bladwijzer (achterin de atlas)

- de algemene legenda (binnenkant voorkaft)

- de bladwijzer (binnenkant achterkaft)

- het zaak- of trefwoordenregister

- het landenregister

- de geografische coƶrdinaten (aantal graden NB, ZB, WL, OL) van een plaats of gebied

- gegevens zoeken in Statistiek met statistische gegevens over Nederland, Europa en de Aarde.

A Voor Nederland:
cijfermateriaal per gemeente, per provincie, per economisch geografisch gebied en per coropgebied.

B Voor Europa en de Aarde:
statistische gegevens over onderwerpen per land.

3. De temperatuurverschillen op aarde worden veroorzaakt door een aantal temperatuurfactoren.

Welke temperatuurfactoren zijn van invloed op de temperatuur van een plaats of gebied?

- de breedteligging (hoe hoger de breedte, hoe kouder)

- de hoogteligging (hoe hoger op een berg, hoe kouder)

- de land-zee verdeling op aarde (land snel warm/koud, water langzaam warm/koud0

- de wind- en zeestromen (aanvoer van warmte of kou)

- de ligging van gebergten (wel of geen beschutte ligging).

4. Ruimtegebruik of conflicten tussen verschillende ruimtegebruikers met de conficterende belangen.

- de natuur (of het milieu)

- het verkeer

- het wonen

- het werken

- de landbouw

- recreatie en toerisme

5. Veranderen van ruimtelijke schaal:
een ander schaalniveau kan een andere kijk geven op een geografisch vraagstuk.

- lokaal niveau: plaatselijk

- regionaal niveau: streek, provincie of landsdeel

- nationaal niveau: landelijk

- continentaal niveau: werelddeel

- mondiaal niveau: wereld

- fluviaal niveau: stroomgebied van een rivier

6. Ruimtelijke dimensies onderscheiden.
Bijvoorbeeld een economische, politieke, demografische, sociaal-culturele, fysische (= natuurlijke) en een ecologische (= milieu) dimensie.

7. Wisselen van analyseniveau.
Gebieden en verschijnselen indelen in deelgebieden en deelverschijnselen (geleding). Als je gebieden of verschijnselen opdeelt in deelgebieden of deelverschijnselen, of ze herkent als deel van een groter geheel, dan wissel je van analyseniveau.

- een stad kan bijvoorbeeld, op grond van activiteiten en functies, worden opgedeeld in deelgebieden, zoals het stadscentrum, verschillende soorten woonwijken, een industriegebied en een recreatiegebied.

- gebieden herkennen als een deel van een groter geheel (aggregatie). Bijvoorbeeld Marokko is een onderdeel van Noord-Afrika.

8. Soorten grafieken en tabellen kunnen aflezen en begrijpen.

- lezen van titel en de legenda van de grafieken en tabellen

- werken met cijfermatige gegevens, zoals absolute of relatieve cijfers.

9. Eigen mening geven.
Geef bijvoorbeeld duidelijk aan waarom je voor of tegen iets bent en geef hierbij duidelijke argumenten.

10. Onderzoeksvragen (hoofdvraag en deelvragen) en een relevante hypothese (= veronderstelling) kunnen formuleren.


Link: bewerkt naar
http://www.digischool.nl/