De wereld om ons heen verandert voortdurend door de invloed van natuur en mens.

Je leert over verschillende onderwerpen op fysisch, politiek, economisch, demografisch en sociaal-cultureel gebied. Hierdoor weet je veel van allerlei maatschappelijke onderwerpen wereldwijd en kun je relaties leggen. Vooral leer je complexe onderwerpen snel te analyseren en oplossingen te bedenken.

Aardrijkskunde is een wereldvak, waarmee je de wereld kunt ontdekken.

Via de labels kun je zoeken op aardrijkskunde examenonderwerp voor HAVO en VWO.


Je ontdekt bijzondere foto's en de belevenissen van een bevlogen docente aardrijkskunde en geschiedenis.

Pol Education & Coaching & Writing
Educatieve teksten, toetsen en training.
CEDEO Erkend Coach en opleider in de school.

drs. Rini van der Pol
Sliedrecht NL
Rome IT

zondag 21 september 2014

Systeem aarde Plaatbewegingen wereldwijd VWO GB54e druk 2014

Ontstaan aardbevingen, vulkanen, troggen en bergen GB54e druk


Lithosfeer = de vaste buitenlaag aarde = aardkorst en harde bovendeel aardmantel/vloeibare buitenmantel.

Bestaat uit platen:
- oceanische plaat = dunner > zwaarder
- continentale plaat = dikker > lichter
- tussen platen = breuken


Asthenosfeer:
- zachtere vloeibare gedeelte aardmantel/ buitenmantel
- waarop platen drijven



Ontstaan diepzeetroggen, aardbevingen, vulkanen en gebergten



A Platen bewegen uit elkaar: GB 212 - 213 + 216 - 217

A1 Mid - oceanische rug:

Divergente breuk:
- platen bewegen van elkaar af
- bij breuk magma uitvloeien > uitvloeiingsgesteente > basalt = dun vloeibaar
- stollingsgesteente > aangroeien nieuwe oceanische plaat/korst/lithosfeer


Bewegingen:
- ridge push: zwaartekracht duwt de plaat van de MOR vandaan > ocean spread
- slap pull: duikende lithosfeer trekt de oceanische plaat de diepte in

 


Vulkanen:
- wijkende platen > minder hoge druk > niet explosief > effusief vulkanisme
- basalt > dun vloeibaar > vloeit langzaam uit > flauwe helling
- schildvulkanen of spleetvulkanen

Aardbevingen:
- zwak > weinig druk

Voorbeeld:
- Rode Zee, Atlantische Oceaan, Indische Oceaan, Grote Oceaan 


A2 Continenten breken/scheuren:

- breukgebied in continent
- breukgebergte: horsten en slenken




Voorbeeld:
- Boven-Rijndalslenk met middelgebergten Vogezen en Zwarte Woud
- Roerdalslenk langs Peelrand- en Feldbissbreuk met Peelblok en Kempen blok


- bij breuk magma uitvloeien > stollingsgesteente
- uitvloeiingsgesteente = langzaam stolt = basalt of dieptegesteente = snel stolt = graniet
- aangroeien nieuwe continentale lithosfeer

Vulkanen:
1 effusief vulkanisme:
- wijkende platen > minder hoge druk > niet explosief
- basalt > dun vloeibaar > vloeit langzaam uit > flauwe helling
- effusief vulkanisme > schildvulkanen of spleetvulkanen

2 explosief vulkanisme:
- menging oceanische en continentale plaat = 2 soorten magma + water + sediment + gassen + hoge druk
- graniet > vloeit snel uit > steile helling
- explosief vulkanisme > stratovulkanen

3 Hotspot:
Voorbeeld:
- Eifel

Aardbevingen:
- zwak tot hevig

Nieuwe oceaan:
- Oost-Afrika
- Afrikaanse continentale plaat splitst in Nubische (w) en Somalische plaat (o)
- samen met Arabische plaat = triple junction
- platen bewegen uit elkaar > ridge push > nieuwe oceanische korst wordt gevormd
- diepe brede vallei > opvullen vallei met water > meren of nieuwe oceaan




B Platen bewegen naar elkaar toe/botsen: GB 216 - 217

3 soorten convergentie:

B1 - oceanische plaat > < continentale plaat:

Subductie:
- zwaardere oceanische plaat duikt onder lichtere continentale plaat
 
Slab pull:
- duikende lithosfeer trekt de oceanische plaat diepte in




Diepzeetrog:
- diepe kloof in oceaanbodem
- loopt evenwijdig aan subductiezone

Vulkanen:
- hoge druk
- smeltend oceanisch gesteente gemengd met continentaal gesteente en water > door subductie
- stollingsgesteente > basalt of ganggesteente > andesiet
- explosief vulkanisme > stratovulkanen

Aardbeving:
- zware aardbevingen > botsing > hoge spanning/ wrijving

Gebergte:
- botsende oceanische en continentale platen > plooiingsgebergte
- westen VS en Latijns-Amerika: Andes

Eilandenboog:
- in zee > vulkanen > eilandenboog > evenwijdig aan diepzeetrog
- Indonesië




 

B2 - oceanische plaat > < oceanische plaat:

Subductie:
- oudere en zwaardere oceanische plaat duikt onder jongere lichtere oceanische plaat

Slab pull:
- duikende lithosfeer trekt de oceanische plaat diepte in

Diepzeetrog:
- Filipijnentrog
- Mariannentrog
 
Vulkanen:
- hoge druk
- smeltend oceanisch gesteente met water
- explosief vulkanisme > stratovulkanen

Aardbevingen:
- zware aardbevingen > botsing > hoge druk

Eilandenboog:
- in zee > vulkanen > eilandenboog > evenwijdig aan diepzeetrog

Voorbeeld:
- Filippijnen, Caribische Eilanden

 
B3 - continent > < continent:

Convergentie:
- botsende platen


Vulkanen:
- geen vulkanen > geen smeltend gesteente
- metamorf gesteente > druk op lagen gesteente > door plooiing

Aardbevingen:
- zware aardbevingen > botsing > hoge druk

Gebergte:
- hoog gebergte > plooiingsgebergte

Voorbeeld:
- India/Euraziatische plaat: Himalaya
- Afrika/Euraziatische plaat: Pyreneeën, Karpaten, Alpen, Appennijen, Balkan, gebergten Turkije en Atlasgebergte
- Andere platen: Ardennen; Scandinavisch Hoogland; Appalachen

C Platen bewegen langs elkaar:

Transforme breuk/transversale breuk:
- platen bewegen langs elkaar

Waar?
- mid-oceanische rug
- continentale plaat langs continentale plaat
- oceanische plaat langs oceanische plaat

Vulkanen:
- geen vulkanen > geen smeltend gesteente

Aardbevingen:
- zware aardbevingen > hoge druk

Voorbeeld:

- Atlantische Oceaan
- Westen VS: San Andreas breuk

Overzicht plaatbewegingen:


Diverse plaatbewegingen wereldwijd:

1a Andesgebergte: vorming en soort gebergte: (GB 212 - 213 + 216 - 217)

De zwaardere oceanische Nazca-plaat duikt onder de lichtere continentale Zuid-Amerikaanse plaat. De oceanische plaat smelt evenals de continentale plaat in de diepte. Een deel van de magma zal langzaam stollen, waardoor de continentale plaat van onder aangroeit met graniet. Een deel van de continentale plaat zal verder omhoogkomen en vormt bergketens met vulkanen.


b Andesgebergte: zware aardbevingen en vulkanen (GB 216 - 217)

De aardbevingen bij convergente breuklijnen kunnen door botsende platen zeer zwaar zijn. Door het smelten van de oceanische plaat samen met de continentale plaat komt magma omhoog en ontstaan bergketens met explosieve vulkanen op de continentale plaat.

Door smelting van beide platen mengt het oceanische basalt met het continentale graniet. Er ontstaat een minder vloeibaar magmamengsel, andesiet, dat langzaam omhoog kruipt en stolt.

De kraterpijpen raken verstopt met het ganggesteente andesiet, waarbij door de hoge druk explosieve uitbarstingen ontstaan. Ofwel een vulkaan opgebouwd uit lagen met verschillende samenstellingen magma, een stratovulkaan. Deze vormen vooral rond de Stille Oceaan de ‘Ring van Vuur’.


2a Himalaya: vorming en soort gebergte: (GB 212 - 213 + 216 - 217)

Na het uiteenvallen van Pangea verplaatst het continent India richting het continent Eurazië. De twee continentale platen (India en Eurazië) botsen, zodat een hoog gebergte ontstaat. Door botsing worden de continentale platen geplooid tot een plooiingsgebergte.


b Himalaya: zware aardbevingen en geen vulkanen

Zware aardbevingen ontstaan door botsende platen. Geen vulkanen door het ontbreken van smeltend opstijgend gesteente vanuit de diepte.

3a Japan/Filipijnen: vorming (GB 168 -169 + 212 - 213 + 216 - 217)

Bij de subductiezone ontstaat een oceanische diepzeetrog, een diep kloof in de oceaanbodem.

Door subductie van een oudere en zwaardere oceanische plaat onder een andere oceanische plaat ontstaan eilandenbogen.
De duikende plaat zal schuin de aardmantel in bewegen en gedeeltelijk smelten. Het gesmolten oceanisch gesteente (basalt) komt omhoog, waardoor een langgerekte keten van (vulkanische) eilanden evenwijdig aan de oceanische trog ontstaat.

b Japan: zware aardbevingen en vulkanen (GB 164 + 216 + 217)

De oceanische Pacifische plaat en de oceanische Filipijnse plaat duiken langzaam naar beneden onder de continentale Euraziatische plaat.

Door subductie ontstaat gesmolten en opstijgend oceanische en continentaal magma. Dit magma van verschillende samenstelling gemengd met water zorgt voor zware vulkanen. Door de botsing van de platen ontstaan zware aardbevingen.

c Indonesië: zware aardbevingen en vulkanen (GB 156 + 216 - 217)

De oceanische Indisch-Australische plaat duikt onder de continentale Euraziatische plaat. Het magma van de smeltende oceanische plaat wordt gemengd met gesmolten continentale plaat en water. Het opstijgend magma zorgt voor vulkanen langs de rand van de duikende plaat, vlak voor de Euraziatische continentale plaat.

Zware vulkanen ofwel stratovulkanen ontstaan door magma van verschillende samenstelling van gesmolten oceanisch gesteente (basalt) gemengd met gesmolten continentaal gesteente (graniet) en water. De vulkanen op de eilanden zijn ontstaan tijdens de vorming van de eilandenboog.

Op de Indonesische eilanden komen ook zware aardbevingen voor door de botsing van de platen.


4a Atlasgebergte + Alpen: vorming (GB 72 - 73 + 212)

Door de botsing van twee continentale platen: Afrikaanse plaat en Euraziatische plaat.

Tijdens de periode Jura en Krijt lag de Tethysee tussen de continentale Euraziatische en continentale Afrikaanse Plaat. Vanaf het Krijt schoof het Afrikaanse continent noordwaarts en werd de Thethyszee kleiner. De Afrikaanse continentale plaat dook onder (subductie) de zuidkant van de continentale Euraziatische plaat.

Later botsen de continentale platen in het westelijke deel van het MZG en ontstond het Alpiene plooiingsgebied; de Pyreneeën, Karpaten en Alpen.


b Alpen: soort gebergte

Door de botsing van twee continentale platen werden aan de randen gesteenten geplooid en schoven grote stukken van de Afrikaanse plaat over Europa. Er ontstond een plooiingsgebergte, zoals de Alpen.

5a Oost-Afrikaanse slenkengebied: vorming (GB 174)

Oost-Afrika is de enige plaats waar actieve riftvorming plaatsvindt in een continent.

Als de aardkorst onder een continentale plaat uit elkaar beweegt ontstaan horsten en slenken met als gevolg een langwerpig rift. Langs de breukzone ontstaat een breukgebergte. Een deel komt omhoog als horsten en een deel daalt, de slenken.

Het noordelijke deel van de slenkenzone is de vallei van de Jordaan, die naar het zuiden stroomt door de Zee van Galilea in Israël naar de Dode Zee. Verder zuidwaarts ligt de Rode Zee met aan het zuidelijke eind een splitsing.

De Golf van Aden naar het oosten is de voortzetting van de rift. Vanaf dit punt loopt de rift verder als een mid-oceanische rug van de Indische Oceaan. In zuidwestelijke richting heet de vallei ‘De Grote Riftvallei', die de oude Ethiopische hooglanden in tweeën deelt.




Oost- Afrika maakt deel uit van de continentale Afrikaanse plaat, welke op dit moment nog steeds aan het spiltsen is in 2 platen. Dit zijn de Nubische plaat in het westen en de Somalische plaat in het oosten.

In oostelijk Afrika splitst de vallei zich in tweeën: het Westelijke Rift en het Oostelijke Rift.

In de toekomst zal Oost-Afrika zich afscheiden van de rest van Afrika, waarbij een nieuw continent en een nieuwe oceaan ontstaan.


b Oost-Afrikaans slenkengebied: vulkanisme

Magma komt omhoog door de scheuren of spleten bij de breuk. In principe komt uit een divergerende breuk basaltisch magma en vormt een schildvulkaan. Deze schildvulkanen vormen nieuwe continentale korst.
Door menging van continentaal graniet met water worden zware stratovulkanen gevormd, zoals de Kilimanjaro.

c Oost-Afrikaans slenkengebied: oceaanvorming, zoals Rode Zee

Bij de divergente breuklijn ontstaat een diepe vallei, zoals de Serengentivallei in Afrika. In het breukgebied ontstaan diepe meren, zoals het Tanganjikameer of het Victoriameer in Afrika.

Bij de breuklijn blijft de riftzone uit elkaar bewegen, waarbij de vallei opgevuld kan worden met water. Er ontstaat een smal oceanisch bekken, dat steeds breder groeit. Hierdoor kan een nieuwe oceaan ontstaan.

 
6a IJsland: vorming

Bij de Mid-Atlantische rug in de Atlantische Oceaan ligt een breuklijn, waarbij twee platen van elkaar bewegen. Bij de breuk tussen de Amerikaanse plaat en de Euraziatische plaat ontstaat door naar boven stromend magma een (berg-)rug.

Bij IJsland is er zoveel materiaal uit de oceanische rug omhooggekomen, dat een eiland is ontstaan.

De rug steekt boven het wateroppervlak uit, bijvoorbeeld bij IJsland, Sint-Helena en de Azoren. IJsland wordt extra omhoog gehouden doordat een hotspot onder IJsland ligt: van heel diep in de aarde komt hier extra warmte omhoog. Net als bij Hawaii.



De breuklijn loopt dwars door IJsland, waar de Amerikaanse en Euraziatische plaat uiteen bewegen. Bij deze divergente breuklijn ontstaat de kloof/spleet bij Tingvellir en Grotagja.

b IJsland: vulkanen

Bij een mid-oceanische rug is veel vulkanisme. Voortdurend vloeit dun vloeibaar basalt uit en verspreidt zich over een groot oppervlak. De vele uitbarstingen vormen schildvulkanen met flauwe hellingen. De uitbarstingen zijn niet explosief door het ontbreken van verschillende soorten gesmolten gesteente en hoge druk, dus effusieve uitbarstingen. Deze schildvulkanen vormen nieuwe oceanische korst.



c IJsland: geisers

Voortdurend komt magma naar boven. Water in het gesteente wordt door het magma opgewarmd en spuit soms op IJsland uit de bodem omhoog, hotsprings. En geisers, een door aardwarmte verwarmde natuurlijke heetwaterbron.

Geisers en andere warmwaterbronnen ontstaan door oppervlaktewater dat langzaam in de grond sijpelt en opgewarmd wordt door hete rotsen met daaronder liggend magma. Het opgewarmde water stijgt op door convectie door de poreuze en gebroken rotsgrond.

Geisers verschillen van andere warmwaterbronnen, doordat ze bestaan uit nauwe buizen die leiden naar grote ondergrondse opslagreservoirs.

IJsland ligt op dezelfde noorderbreedte als Groenland en zou zonder deze opwarming door magma met ijs en sneeuw zijn bedekt.

d IJsland: aardbevingen

De mid-oceanische breuk loopt dwars door IJsland. Een oceanische rug kan verspringen langs een ‘transforme breuk’. Bij de verspringing beweegt de korst aan weerszijden van de breuk in tegenovergestelde richting.



Grote aardbevingen kunnen ontstaan bij een horizontale beweging: een zijschuiving. De bevingen op IJsland zijn meestal zijschuivingen langs een transforme breuk.

7a Hawai: vorming (GB 192)

Via een mantelpluim komt magma naar boven. De aardkorst zal door de druk omhoogkomen en scheuren. Na uitstroming blijft een kleine mantelpluimstaart over, de hotspot. Het magma uit de hotspot vormt een vulkaan, het eiland Hawaii.


De plaat boven de hotspot verschuift, zodat boven de hotspot een nieuwe vulkaan zal ontstaan. In zee ontstaan door de verschuivende plaat een rij vulkanische eilanden.

De oudste vulkaan ligt het verst van de hotspot; de jongste vulkaan ligt het dichtsbij de hotspot.


b Hawai: vulkaan

Hawai is een vulkanisch eiland opgebouwd uit basalt, dat langzaam is uitgestroomd. Zoals de schildvulkaan Mauna Loa op Hawaï.

8a Rijndalslenk: ontstaan (GB 72)

Langs een breukvlak komen delen van de aardkorst (horsten) omhoog, terwijl andere delen (relatief) lager komen te liggen (slenken). De Rijn stroomt in dit horsten en slenkengebied door de Rijndalslenk.

Ten (noord)westen liggen de Vogezen (horst) en ten (zuid)oosten het Zwarte woud (horst).

 

b Rijndalslenk: soort gebergte

c Rijndalslenk: aardbevingen en vulkanen

De Vulkaan-Eifel is een deel van het Rijnlands leisteenplateau, een laaggebergte met de Ardennen, het Sauerland, de Hunsrück en de Taunus omvat. De Eifel ligt niet aan de rand van twee platen.

Onder de Eifel ligt een hotspot met sterke vulkanische activiteit. De kraters ontstaan door explosies van vulkanische gassen, waarbij meren door grondwater worden gevormd.

d Roerdalslenk: ontstaan (GB 30)

Het Roerdal ligt in een slenk (de Centrale slenk of Roerdalslenk) ontstaan door opheffing van de omliggende gebieden (de horsten) langs aardbreuken. Het Nederlandse deel van de Roer ligt daardoor in een vrij vlak gebied.


De Roerdalslenk loopt vanuit het zuidoosten van Nederland, het noordoosten van België en westen van Noord-Rijnland-Westfalen naar noordwest Nederland. De Roerdalslenk is een aftakking van de Boven-Rijndalslenk, die de loop van de Rijn door Duitsland bepaalt.


De Roerdalslenk bestaat uit twee afschuivingsbreuken, waar door oprekking de aardkorst uit elkaar beweegt. Vervolgens breekt het gesteente en zakt het blok dat bovenop het breukvlak ligt langs het vlak naar beneden. De beweging is verticaal langs de breukranden. Dat komt doordat de 'blokken' onafhankelijk van elkaar min of meer verticaal bewegen.

In het noordoosten ligt de Peelrandbreuk (Roermond-Deurne-Uden-Lith), waar de Roerdalslenk van de Peel Blok/Horst wordt gescheiden. In het zuidwesten ligt de Feldbissbreuk (Luyksgestel-Gilze en Rijen-Oosterhout), die de slenk scheidt van het Kempens Blok/Plateau.

Tektonisch raamwerk van het Kwartair in Nederland. Het Rijns Massief vormt de zuidelijke begrenzing van het Noordzeebekken. Dit ligt op het snijpunt van drie belangrijke slenksystemen; de Roerdalslenk, de Rijndalslenk en de Leinedalslenk.

e Roerdalslenk: aardbevingen en vulkanen

Het breuksysteem van de Roerdalslenk behoort tot de meest actieve van Europa, zoals de aardbevingen bij Roermond (1992) en bij Aken (2002).

De aardbevingen ontstaan door de verticale bewegingen langs de breuk.

9 Middellandse Zeegebied: aardbevingen en vulkanen (GB 76 + 77 + 79 + 136 + 216 + 217)

De meeste vulkanen in het Middellandse Zeegebied zijn ontstaan door subductie. Het gesmolten gesteente van verschillende samenstelling gemengd met water zorgt voor explosieve vulkanen, stratovulkanen.


Hoe verder van de subductiezone, hoe explosiever de vulkanen. De magmahaard ligt dan dieper en het bedekkende gesteente is steeds dikker, zodat de druk hoog moet oplopen om tot een uitbarsting te komen.

De Vesuvius is een stratovulkaan op grote afstand van de subductiezone en zeer explosief.

De Etna, Stromboli en Vulkano zijn door de korte afstand tot de subductiezone minder explosief. De basisvorm van de Etna is een schildvulkaan, doordat langs de scheuren dun vloeibaar basalt uitstroomt. Later werd de samenstelling meer granitisch, dus explosiever en ontstond een stratovulkaan.

10a Turkije: ontstaan Noord-Anatolische breuklijn (GB 136)

Turkije is een geologisch microcontinent, dat in de tang wordt genomen door de botsing van Afrika met Eurazië.

Door de spanningen in de botsingszone in het Middellandse Zeegebied is de aardkorst op veel plaatsen gebarsten en opgedeeld in een aantal kleinere platen. De kleinere platen bewegen verschillend, maar in grote lijnen is de beweging naar het noorden en noordoosten.  

Turkije komt in het oosten in de knel door de Arabische en Euraziatische plaat, waardoor Turkije naar het westen moet bewegen. De beweging is vooral horizontaal langs de transforme Noord-Anatolische breuk van Oost-Turkije tot voorbij Istanbul.

b Turkije: zware aardbevingen en vulkanen en bergen (GB136)
Door de schoksgewijze verplaatsing van de vele platen ontstaan regelmatig zware aardbevingen. De kracht van de aardbeving neemt van zuid naar noord toe.

Hoe dieper de aardbevingshaard, hoe zwaarder de aardbeving. Maar langs de breuklijnen in Noord-Turkije en Noord-Afrika liggen de aardbevingshaarden ondiep en komen toch zware aardbevingen voor. Dat komt door de grote spanningen in de botsingzone Afrika-Europa.

De vulkanen zijn ontstaan door subductie, waarbij het opstijgend gesmolten gesteente stratovulkanen vormt.

Door de botsing van de platen zijn de gesteenten geplooid tot plooiingsgebergten.

11 Yellowstone: vulkaan (GB 188 + 192)

Onder het Yellowstone National Park bevindt zich een vulkanische hotspot. De grootste vulkaan in het park is de Yellowstonecaldera. Van deze vulkaan is de top afgeblazen en ontstaat een krater, de caldera.


Het Yellowstone National Park bevat verreweg het grootste en meest actieve geiserveld ter wereld.


12 Filipijnen: ontstaan (GB 212 - 213)

De Filipijnse archipel is ontstaan door het botsen van de oceanische Pacifische Plaat onder de Filipijnse Plaat. Door deze subductie zijn diepzeetroggen ontstaan, zoals de Filipijnentrog.

Het gesmoten magma vormt boven zee een vulkanen, die in een boog liggen evenwijdig aan de trog. Deze vulkanische eilandboog vormt het grootste deel van de Filipijnen.



b Filipijnen: zware aardbevingen en vulkanen en bergen

Op de Filipijnse eilanden liggen vulkanen. Door subductie is oceanisch gesteente gesmolten en gemengd met water, waardoor explosieve vulkanen ontstaan. Door de botsing van platen ontstaan zware aardbevingen.

Door de botsing van de platen zijn plooiingsgebergten ontstaan.


©Pol 2014