AARDRIJKSKUNDE WERELDVAK! De wereld om ons heen verandert voortdurend door de invloed van natuur en mens. Aardrijkskunde behandelt verschillende onderwerpen op fysisch, politiek, economisch, demografisch en sociaal-cultureel gebied. Je ontwikkelt kennis over allerlei maatschappelijke onderwerpen wereldwijd. Complexe onderwerpen kun je snel analyseren en oplossingen voor bedenken. Aardrijkskunde is een wereldvak, waarmee je de wereld kunt ontdekken. Docente aardrijkskunde 1e graads & geschiedenis. Persoonlijk Coach en opleider in de school - Post-HBO. NLP MASTER - Erkend - Society of NLP - VS. drs. Rini van der Pol Sliedrecht NL Parttime woonachtig: * Rome Italië 2012 - 2016 * Ankara Turkije 2016 - 2020 Contact: rinivanderpol@gmail.com

zondag 22 augustus 2010

Profielwerkstuk onderwerpen

Voor je profielwerkstuk kun je bij aardrijkskunde je kiezen uit vele onderwerpen.

Het vak Aardrijkskunde past goed bij Economie, Geschiedenis en Natuurkunde.

Het is belangrijk dat voor je onderwerp voldoende informatie op bijvoorbeeld internet aanwezig is. Door veel achtergrondinformatie wordt het schrijven van je profielwerkstuk makkelijker.

Je kunt denken aan de volgende onderwerpen:
- aardbevingen
- armoede
- achterstandswijk
- bevolkingsgroei
- Betuwelijn
- bodemerosie
- conflictgebieden
- El Nino
- Europese Unie
- Global Shift en globalisering
- handelspatronen wereldwijd
- fileprobleem Nederland
- gebergten
- klimaatveranderingen
- krottenwijken minder ontwikkelde landen
- kust- en rivierbescherming
- natuurrampen
- landenonderzoek: India, China, Turkije, Marokko, e.d.
- Rotterdamse haven
- modderstromen
- olie
- orkanen
- overstromingen
- ontwikkeling platteland
- perifeer land: Egypte, Sri Lanka, e.d.
- stedelijke groei
- tropisch regenwoud
- voedselprobleem
- versterkte broeikaseffect
- verwoestijning
- vulkaanuitbarsting
- wereldsteden, bijvoorbeeld New York, Bangkok, Istanbul
- woestijnen
- Schiphol
- zeestromen
- tornado's
- tsunami

Je kiest een interessant onderwerp in overleg met je docent.

Bij het onderwerp maak je een onderzoeksvraag ofwel hoofdvraag met deelvragen.

Bij de deelvragen kun je uitgaan van de verschillende dimensies: fysisch-geografische/natuurlijke, demografische, economische en culturele dimensie.

Uiteindelijk werk je je hoofdvraag uit met een conclusie.

Je hebt bronnen nodig, zoals boeken, krantenartikelen en afbeeldingen. Verzamel op tijd je bronnenmateriaal, waardoor je makkelijker en zorgvuldig je tekst kunt uitwerken.

Met de achtergrondinformatie schrijf je in overleg met je docent het profielwerkstuk.

Uiteindelijk moet je het profielwerkstuk presenteren door middel van een blog, powerpoint of een aantal posters.

maandag 31 mei 2010

4/5/6VWO Aarde IJsland Vulkaanuitbarsting IJsland 2010

Vulkaan onder de Eyjafjallajökull

Eyjafjallajökull staat voor Eyja = eiland, fjalla = berg(rug) en jökull = ijskap en komt aan zijn naam omdat het de ijskap is die goed zichtbaar is vanaf de Westmann eilanden voor de zuidkust van IJsland. De vulkaan die onder de jökull uitbarst op het moment heeft eigenlijk nog geen naam, omdat bij eerdere uitbarstingen op andere plekken onder de ijskap het magma naar boven kwam. Het systeem van de Eyjafjallajökull is een samengestelde vulkaan van bijna 1700 meter hoog.


De Eyjafjallajökull (westelijk), Fimmvörðuháls (midden) en de Katla (oostelijk).

Een maandje spoten lavafonteinen uit 2 spleten bij Fimmvörðuháls in het zadel tussen de Eyjafjallajökull (westelijk) en de Katla (oostelijk). Op 13 april eindigde de activiteit daar en een dag later ontstond een nieuwe spleet onder de ijskap Eyjafjallajökull. De wolk die daarbij ontstond was in eerste instantie wit, doordat de uitbarsting onder het ijs plaatsvond en er vooral stoom de lucht in ging. Toen het ijs voldoende weg was gesmolten, kreeg de wolk een donkere kleur op 15 april om een uur of 6 in de middag: as en puin konden nu hun weg naar buiten vinden.

De uitbarsting is een stuk heviger dan de eerdere uitbarsting bij Fimmvörðuháls, omdat deze onder het ijs plaatsvindt en daarom ijs en water direct in contact komt met lava. Dat geeft speciale soorten uitbarstingen en gesteente die op IJsland veel voorkomen: freato-magmatisch noemen vulkanologen dat.

De uitbarsting onder de Eyjafjallajökull was een lichte verrassing, er werd scherper gelet op Katla, die in de historie vaker actief is geweest. Van Eyjafjallajökull zijn twee uitbarstingen bekend: in 1821 en 1612. Na een flink aantal kleine aardbevingen door opstijgend magma tussen 1991 en 1999 leek de Eyjafjallajökull op scherp te staan, maar toen zette de activiteit niet door. Nu dus wel.

Elke keer dat Eyjafjallajökull in het verleden actief was, werd Katla ook wakker. Dat is een steekproef met n=2, dat moet er bij gezegd worden. Uiteindelijk is dat toch waar we naar kijken als aardwetenschappers: het verleden is de sleutel naar de toekomst. Natuurwetten die toen golden, doen dat nu ook nog.

Hoe lang nog?

Ook dan kunnen we niet anders dan een 'educated guess' te maken. De laatste uitbarsting van Eyjafjallajökull duurde van 1821 tot 1823, al was dat niet continu even erg. Het kan ook binnen een paar weken weer over zijn. Maar ook eerder uitbarstingen op IJsland duren over het algemeen redelijk lang. Dat heeft alles met de plaattektonische situatie op IJsland te maken.

IJsland ligt op de rand van twee platen: de Amerikaanse en Euraziatische, die in IJsland uit elkaar bewegen. Er zijn plekken waar je dus van het ene naar het andere continent kan springen. De platen bewegen met een snelheid van een paar centimeter per jaar. Iets minder snel dan je vingernagels groeien dus. Dat gebeurt niet elke dag met een fractie van een millimeter, maar ineens over een paar kilometer met een paar meter als er een spleeteruptie ontstaat.

IJsland beweegt uit elkaar, omdat de Aarde sinds die is ontstaan aan het afkoelen is. De warmte raakt de aarde kwijt door convectie, het rondstromen van materiaal door warmte verschillen. Warm materiaal komt in IJsland aan het oppervlak en koelt daar af. Daardoor neemt de dichtheid toe en wil het naar beneden zakken. Dat kan niet, want er komt weer nieuw warm magma omhoog. Dus schuift het zijwaarts weg van de centrale as en zakt daarbij wat omlaag. Dit proces trekt het midden weer wat open, waardoor weer nieuwe spleten kunnen ontstaan. Dat betekent dus ook dat het midden van IJsland uit de jongste vulkanische gesteenten bestaat en het eiland naar de randen toe ouder wordt (groene en blauwe kleur in onderstaande geologische kaart).


Geologische kaart van IJsland. De roze kleuren geven vulkanische gesteenten van minder dan 10.000 jaar oud aan. Duidelijk is de plaatgrens te zien die over IJsland loopt: van het zuidwesten (ten zuiden van Reykjavik) naar het noordoosten (bij Myvatn). De Katla en Eyjafjallajökull liggen in het centraal zuidelijk deel.

Er staat dus rek op de aardkorst in IJsland. Daardoor blijven spleten lang open, zolang de magma aanvoer aanhoudt. Het magma dat hier opwelt is ook nog eens dun vloeibaar, van een heel andere chemische samenstelling dan bij bijvoorbeeld subductiezones. Daar wordt onderduikende korst en continent opgesmolten, bij IJsland komt uit de diepte van de aarde magma omhoog dat rijk is aan ijzer en magnesium (daarom wordt het ook wel mafisch genoemd) en arm aan silica (Si) en gassen. Silica, dat veel in de continentkorst voorkomt, heeft als eigenschap dat het snel ketens maakt in magma, waardoor de taaiheid van magma toeneemt.

Gassen die onder hoge druk in magma zijn opgesloten maken uitbarstingen explosief, zoals de belletjes in de champagne. Dat alles komt niet veel voor op IJsland, dus de meeste uitbarstingen zijn hier relatief rustig. De dun vloeibare lava spuit in fonteinen omhoog uit spleten en stroomt over het land uit. Als dat voor langere tijd uit een punt gebeurt, dan vormt zich daar een schildvulkaan, een perfect ronde berg met een hellingshoek van 2 tot 5 graden waarover de basaltische lava keer op keer naar beneden stroomt.

Dat is helaas niet het hele verhaal....

Een mid-oceanische rug hoort niet boven zeewater uit te steken, maar zich op een diepte van zo'n 2500 meter onder zeeniveau te bevinden. Toch kun je op IJsland heen en weer springen tussen Noord-Amerika en Eurazia. Dat komt omdat IJsland niet alleen op een plaatgrens ligt, maar ook precies boven een hotspot.

Een hotspot is een plek waar vanuit grote diepte (overgang kern-mantel) als een soort snijbrander vanuit 1 punt warm materiaal opstijgt tot aan het aardoppervlak. Daarbij tilt dat omhoogbewegende en warme materiaal IJsland boven zeeniveau uit. 70 miljoen jaar geleden lag deze hotspot nog tussen Canada en het westen van Groenland en het scheelde niet veel of Groenland was losgebroken van Noord-Amerika en had echt tot Europa behoord.

Het pad van de hotspot waar IJsland nu boven ligt in de afgelopen miljoenen jaren.

De hotspot ligt nu onder IJsland en warmt daarmee een deel van IJsland van de onderkant extra op. Daarbij smelt de al gevormde IJslandse korst, met water dat daar in terecht gekomen is. Het magma dat hierbij ontstaat heeft een heel andere chemische samenstelling en daardoor wordt het explosiever.

Andesitisch magma heet dat, inderdaad, naar magma dat in de Andes voor grotere klappen zorgt. Juist in het gebied rond de Katla komen uitbarstingen voor die worden gevoed door dit soort magma. Het Eyjafjallajökull- en Katla-vulkaansysteem is een gemengde zone, met basalt maar ook heftigere rhyoliet-uitbarstingen. Het zijn dan ook geen prototype schildvulkanen, maar samengestelde stratovulkanen. De aswolk van de actieve vulkaan is de tweede dag van de uitbarsting van vrij donker naar grijs verkleurd, dat duidt op een verandering van het magma dat omhoogkomt: het wordt meer explosief.


De vulkaan Katla, met (boven) en zonder (onder) ijsbedekking

De Katla zelf, die onder de ijskap Myrdalsjökull verstopt zit, is 12.000 jaar geleden met een grote klap tot uitbarsting gekomen. Dat is goed te zien op bijgaande figuur, waarin de ijsbedekking is weggehaald: een grote ringvormige krater zit er onder verstopt! De latere uitbarstingen in het Katla-systeem (1918 en 1955) zijn gelukkig weer spleeterupties geweest met minder heftige gevolgen. Voorlopig wijst niets er op dat de Katla ontwaakt, maar de vulkaan wordt natuurlijk scherp in de gaten gehouden.

Overlast op IJsland

De IJslanders zelf hebben vreemd genoeg relatief weinig last van deze uitbarsting. Dat heeft alles met de windrichting te maken. De as die overvloedig valt, komt nu op een van de smalste stroken vruchtbaar kustgebied aan het zuiden van IJsland terecht. Mocht de wind op IJsland naar het oosten draaien, dan wordt direct de 'hooischuur' van IJsland bedreigt. Hier in de mid-zuiden van IJsland is een van weinige plekken op het eiland met flinke lappen grasland waar veel schapen worden gehouden. Omdat de wind richting noord-west Europa waait, is Keflavik, de nationale luchthaven van IJsland die in het uiterste zuidwesten van IJsland ligt, gewoon open. Vluchten naar Noord-Amerika en binnenlandse vluchten vliegen gewoon!

Een bijkomstigheid van de uitbarsting onder Eyjafjallajökull is natuurlijk dat de ijskap smelt. Dat levert stortvloeden aan water op, soms met grote ijsblokken. Er is zelfs een IJslands woord voor, want het gebeurt ze er wel vaker: jokulhaup. De ringweg 1 is op grote stukken regelmatig weggeslagen, daarom zijn de IJslanders overgegaan op een systeem van betonnen pilaren, waartussen houten wegdelen liggen. Bij jokulhaups worden de houten delen weggehaald of in het ergste geval weggeslagen, zonder dat de pilaren zwaar beschadigen. Dan is de weg snel weer gerepareerd.

Geschreven door dr. Bernd Andeweg VU Amsterdam.


Link: bewerkt naar
http://www.vu.nl/

maandag 26 april 2010

Chili Zware aardbeving treft Chili 2010




Op zaterdag 27 februari 2010 om 03:34 lokale tijd (07:34 NL-tijd) is Chili getroffen door een zware aardbeving met een kracht van 8,8 op de schaal van Richter en een diepte van 35 km.

De aardbeving is het gevolg van de platentektoniek langs de westkust van Zuid-Amerika. Daar botst de Nazca plaat met een snelheid van ongeveer 8 cm per jaar tegen de Zuid-Amerikaanse plaat, wat regelmatig grote aardbevingen tot gevolg heeft.


De grootste aardbeving ooit met instrumenten gemeten, in mei 1960 met een kracht van 9,5 op de schaal van Richter, vond ongeveer 230 km zuidelijker plaats dan de aardbeving van 27 februari 2010.

Inmiddels zijn er vele tientallen naschokken geweest. Bij een zware aardbeving is als deze is dat niet ongewoon en de verwachting is ook dat er de komende dagen en weken nog vele zullen volgen.


Omdat de aardbeving uit de kust onder water plaatsvond is er een tsunami opgewekt. Op verschillende plaatsen langs de Chileense kust zijn golven gemeten met een hoogte van 50 - 150 cm. Zowel de aardbeving als de tsunami hebben slachtoffers veroorzaakt.


Verschil met Haïti

Het verschil met de aardbeving in Haïti ligt voornamelijk in de diepte en de afstand tot de kust. De aardbeving onder Haïti vond plaats op 10 kilometer diepte en de beving bij Chili op 35 km. De trillingen leggen een grotere weg af naar het aardoppervlak en worden daardoor meer gedempt.

Verder vond de aardbeving bij Chili uit de kust plaats in plaats van onder het land, zoals bij Haïti, wat er ook voor zorgt dat de trillingen een grotere afstand moeten afleggen voordat ze het vast land bereiken en daardoor meer gedempt zijn.

Een andere reden voor minder slachtoffers in vergelijking met Haïti is waarschijnlijk de bouwwijze van gebouwen. Die is in Chili beter dan in Haïti, waardoor er minder gebouwen helemaal zijn ingestort.


Link: bewerkt naar
http://www.knmi.nl/

donderdag 25 maart 2010

woensdag 17 maart 2010

Chili Zware aardbeving voor de kust van Chili 2010


Chili koploper zware aardbevingen

Zaterdag 27 februari 2010 vond voor de zuidkust van Chili een aardbeving plaats met een kracht van 8.8 op de schaal van Richter. Daarmee komt de beving in de top vijf van de zwaarste gemeten aardbevingen. Het gebied waarin de beving plaatsvond heeft al het wereldrecord in handen: in 1960 werd hier een beving van 9.5 op de schaal van Richter gemeten. De beving en de daaropvolgende tsunami richtte in een flink gebied schade aan. Een echte humanitaire ramp zoals in Haiti lijkt het gelukkig niet te worden. Flinke naschokken zullen er nog wel plaatsvinden. Bij een beving is de sterkste naschok rond een magnitude kleiner dan de hoofdschok (in dit geval dus rond de 7.8).



Locatie van de aardbeving, met de vele naschokken in de eerste paar dagen

Tektoniek

De westkust van Zuid-Amerika wordt gevormd door de Andes, het resultaat van het botsen van het lichte continent Zuid-Amerika met de oceanische korst van een deel van de Stille Oceaan. Die oceanische plaat, de Nazca plaat, schuift met een vaart van gemiddeld 8 centimeter per jaar onder Zuid-Amerika. Dat gaat niet elke dag met een tiende van een millimeter, maar in schokken: de aardbevingen.


Plaattektonische situatie en epicentrum van de beving. Pijlen geven de bewegingsrichting van de platen aan.

Al lang onrustig

Dit deel van Chili heeft een indrukwekkende geschiedenis als het om aardbevingen gaat. Sinds 1973 zijn er al 13 bevingen waargenomen van meer dan 7.0 op de schaal van Richter. In 1960 vond op circa 230 kilometer zuidelijker dan de beving van 27 februari al de grootste beving die ooit gemeten is plaats (9.5 op de schaal van Richter, geel rondje met kruis op figuur hieronder). 870 kilometer meer naar het noorden was het in 1922 raak: een beving met een sterkte van 8.5 (gele rondje met kruis op figuur hieronder).

De delen van de breuk die bij deze twee bevingen hebben bewogen staan op onderstaande figuur aangegeven als de geel gearceerde gebieden. Bij de beving van 27 februari 2010 vond beweging plaats op een stuk van de plaatgrens (breuk) dat bij de vorige bevingen vast bleef zitten en niet had bewogen. Dat betekende dat de spanning juist op dit deel erg is toegenomen in de afgelopen decennia. Er werden wel kleinere aardbevingen waargenomen, maar geen daarvan was groot genoeg om de spanning te ontladen. Dat is nu waarschijnlijk wel gebeurd.



Aardbevingen en plaatgrenzen in Zuid-Amerika. Elk rondje geeft een beving groter dan 7.0 aan, de diepte toont de kleur. Locatie van de beving van 27 februari (geel sterretje) en van de beving in 1960 en 1922 in Chili (geel rondje met kruis).

Als we nog verder terug gaan in de tijd: in meren in het gebied zijn landverschuivingen aangetroffen die alleen door aardbevingen van 8.0 en hoger kunnen worden veroorzaakt. Deze verschuivingen geven aan dat de afgelopen 10.000den jaren er al om de 500 tot 1000 jaar aardbevingen van rond de 9.0 plaats hebben gevonden.

Op de USGS site staat de lijst met bevingen in Chili voor de afgelopen decennia. Kortom: geen verrassing, zo'n zware beving hier. Chili ligt voorlopig weer voorop in de strijd om de zwaarste aardbevingen nadat Sumatra flink genaderd was.

Verschillen met Haiti

De beving in Haiti was met 7.0 op de schaal van Richter een relatief kleine beving, in vergelijking met deze beving in Chili. De schaal van Richter is logaritmisch, dat betekent dat een beving van 8.0 10x zwaarder is dan een beving van 7.0. De hoeveelheid energie die er bij vrijkomt neemt zelfs met 32x toe. De beving in Chili was dus bijna 32x32 keer zo zwaar, laten we zeggen 800 keer. Ook al is de schade in Chili aanzienlijk, er zijn veel minder slachtoffers gevallen. Hoe komt dat?

1. De beving op Haiti vond ondieper plaats (ca 10 kilometer), waardoor er relatief veel energie van de beving het aardoppervlak direct bereikte. De beving in Haiti vond plaats door het langs elkaar bewegen van twee platen, terwijl de beving in Chili kwam door het tegen, en onder elkaar bewegen van 2 platen. Dat maakt indirect dus wel een verschil in slachtoffers, omdat bevingen bij beweging langs elkaar over het algemeen minder diep zijn dan bevingen in een subductiezone

2. De beving op Haiti vond plaats direct onder het eiland, de beving in Chili een stuk uit de kust

3. Chili heeft een flinke geschiedenis met bevingen van dit kaliber en is er dus meer op ingesteld. Huizen en infrastructuur zijn steviger, al konden veel constructies deze 8.8 beving ook niet hebben. In ieder geval bouwen ze in Chili weinig huizen van betonplaten die los op elkaar liggen, zoals in Haiti.

4. Het gebied waar de beving in Chili plaatsvond is een relatief dunbevolkt gebied. De dichtsbijzijnde stad Chillan, ligt op ongeveer 100 kilometer van het epicentrum

5. De beving op Haiti veroorzaakte geen tsunami, die in Chili wel. Daar is een relatief groot deel van de schade en doden in Chili door gekomen.


Een doorsnede door de Andes, links de oceaan, rechts Zuid-Amerika. De bolletjes geven aardbevingen en hun diepte weer. Duidelijk is de onderduikende Nazca-plaat te zien. De beving van 27 februari (sterretje) vond plaats op het contact tussen de platen.


Ook op een kaartje is uit de verdeling van de aardbevingen van 1990 tot nu en de diepte waarop ze plaatsvonden duidelijk te zien dat de oceanische korst van de Nazca-plaat onder Zuid-Amerika duikt. Bron: USGS

Meer Sumatra

De beving in Chili is veel meer vergelijkbaar met de aardbeving die in december 2004 Sumatra trof. In een subductiezone schuiven platen niet zonder meer onder elkaar. De platen hebben op hun contact nogal wat wrijving, waardoor de naar beneden bewegende plaat (Nazca) de bovenliggende plaat (Zuid-Amerika) een beetje mee naar beneden sleurt. Als de spanning op het contact tussen de platen groot genoeg wordt, schiet de oceanische korst plots naar beneden en de Zuid-Amerikaanse plaat omhoog. Daarbij wordt de hele waterkolom die daar op ligt opgetild: een tsunami.



Een tweede doorsnede met interpretatie van de vorm en samenstelling van de platen.

Samengesteld en geschreven door dr. Bernd Andeweg

Link: bewerkt naar
http://www.falw.vu.nl/nl/voor-het-vwo/wetenschap-in-gewone-woorden/Aardwetenschappen/aardbeving/Aardbeving-chili-2010.asp

donderdag 4 februari 2010

4VWO Aarde Klimaatvraagstukken Broeikaseffect

De aarde wordt verwarmd door de zon. Een deel van de zonnestraling wordt teruggekaatst en een ander deel wordt omgezet in warmte.

Het broeikaseffect bestaat uit de volgende stappen:
- zonnestraling warmt de aarde op
- reflecterende infrarode straling koelt de aarde af
- broeikasgassen, zoals koolstofdioxide (CO 2) en methaan (CH 4), houden infrarode straling vast.

Broeikasgassen houden de warmtestraling vast en leggen een warme deken om de aarde. Een deel van de warmtestraling van de grond wordt vastgehouden. Zonder dit warme-deken-effect zou de aarde veel kouder zijn. Hierdoor is de aarde +15°C i.p.v. -18°C.



Extra uitstoot van broeikasgassen (versterkt broeikaseffect) verhoogt de temperatuur verder.



Link: bewerkt naar
http://www.knmi.nl/

vrijdag 22 januari 2010

Wonen in Nederland De Haakse Zeedijk

De klimaatverandering, het stijgende zeeniveau en de daling van Nederland zullen in de toekomst een steeds groter probleem worden. De rivieren stijgen met het zeeniveau mee en de verzilting stijgt evenredig.

Wat zijn de bedreigingen voor ons land:

•­ de stijgende zeespiegel
•­ overstromingen binnenlands door overtollig rivierwater
•­ verzilting
•­ energietekort
•­ tekort aan bouwgrond in de Randstad
• ­tekort aan natuurgebied en recreatieruimte
• ­tekort aan zoet water
• ­geen mogelijkheden voor uitbreiding Schiphol

De HAAKSE ZEEDIJK (DHZ) is voor deze problemen de multifunctionele oplossing voor de komende eeuwen:


• de Haakse Zeedijk beschermt ons tegen de stijging van het zeeniveau
• creëert nieuw land achter de dijk voor bewoning, recreatie en natuurgebied
• creëert ruimte voor de afvoer van het rivierwater
• de waterkracht - pompcentrales zorgen voor energie opwekking
• is kostenneutraal.
 
Het plan DHZ biedt een integrale oplossing
 
Op 25 km uit de kust wordt een 180 km lange duinendijk aangelegd van Walcheren tot den Helder. Breedte van de dijk 3,5 km. De huidige kustlijn wordt slaperdijk. Het hoogste punt van de opgespoten dijk ligt op + 9 mtr NAP. De havens van Rotterdam, Amsterdam en Den Helder blijven toegankelijk en de Maasvlakte blijft in open verbinding met de zee.

Achter DHZ worden drie binnenzeeën aangelegd. Hierin kunnen de rivieren het overtollig water lozen. Overlooppolders worden overbodig.

In de huidige situatie verzilt het achterland door grondwaterdruk vanuit zee en de rivieren. Door aanleg van de binnenzeeën, kan het oude zeeniveau (dus ook de grondwaterdruk) worden gehandhaafd. Verdere verzilting wordt dan voorkomen.

In de 3 binnenzeeën worden 40 meter diepe Ringmeren aangelegd. Hierin worden waterkracht-pompcentrales gebouwd die kunnen voorzien in 10% van onze energievoorziening en ’s nachts tegen nachttarief het water de zee inpompen.

De geplande windmolenparken kunnen op de dijk worden aangelegd.

De binnenzee van het Noordbekken van DHZ kan worden gebruikt als zoetwaterreservoir.

In het nieuwe gebied ontstaat 150 km2 grond voor bebouwing op +5 mtr NAP. Daarnaast een natuurgebied van 480 km2, waarvan 100 km2 getijden- en foerageergebied voor vogels.

De aanleg van een vliegveld in zee kan eindelijk worden gerealiseerd.

Door de drie binnenzeeën kan het werk in drie fasen worden uitgevoerd (3 x 11 jaar).

Na uitvoering van dit plan zijn er slechts twee zaken die onderhoud vergen. En wel: ophoging van het duin bij verdere stijging van de zeespiegel, door (aanzienlijk goedkopere) zandsuppletie en aanpassing van de spuisluizen.

Plannen, gebaseerd op het advies van de Deltacommissie/ de commissie Veerman

- Ophoging van alle zee- en rivierdijken, met de daarbij horende pompgemalen, sluizen en bruggen.
- Aanpassing van de Deltawerken.
- Een afsluitbare open/dicht variant voor het Rijnmondgebied tegen de verzilting.
- Verhoging van het waterniveau van het IJsselmeer om een groter zoetwater reservoir te creëren als
  er ’s zomers minder watertoevoer is (kosten geschat op 4 à 6 miljard).
- Huidige (dure) zandsuppleties voortzetten.
- Na 2070 zal afsluiting van de Nieuwe Waterweg noodzakelijk zijn.

Wat zijn de voor- en nadelen van het advies van de Deltacommissie in vergelijking tot DHZ?

Het kostenplaatje van DHZ ligt ver onder het kostenplaatje van de Deltacommissie. Dit komt niet alleen omdat door de verkoop van de bouwgrond de aanleg van DHZ (geraamd op minder dan 40 miljard Euro) uiteindelijk kostenneutraal uitwerkt, maar ook door het feit dat het zand - dat gebruikt wordt voor de aanleg van de dijk - rechtstreeks direct van achter de dijk wordt opgezogen. De kosten van de uitvoering van het plan van de Deltacommissie worden geschat op 112 – 160 miljard Euro.

Bij de aanleg van DHZ hoeven de Deltawerken niet te worden aangepast, niet alle dijken in Nederland verhoogd en niet alle spui- en poldergemalen aangepast.

Door het IJsselmeer te verbinden met het Noordbekken kan het IJsselmeer zijn waterpeil behouden.

 
Link: bewerkt naar
http://haaksezeedijk.1holland.eu/

Wonen in Nederland Ruimte voor de rivier maatregelingen

Er zijn verschillende typen maatregelen mogelijk om de rivier meer ruimte te geven. Hieronder een korte beschrijving.

Vergraven van de uiterwaarden



Dit type maatregel omvat het geheel of gedeeltelijk verlagen van de uiterwaarden zodat meer water kan worden afgevoerd door het winterbed.

Ontpoldering



Ontpolderen is het weer onder water zetten van ooit aan de zee onttrokken stukken land.

Dijkverlegging



Door het landinwaarts verleggen van een dijk wordt het winterbed van de rivier breder. Daardoor neemt de afvoercapaciteit van de rivier toe.

Hoogwatergeulen in binnendijks gebied



Een hoogwatergeul is een nieuwe rivierloop buiten het bestaande winterbed, die bij hoogwater deel uitmaakt van het watervoerende gedeelte van een rivier. Hoogwatergeulen kunnen ook zo ontworpen worden dat ze het gehele jaar watervoerend zijn. Een hoogwatergeul is begrensd door twee hoge dijken of hogere gronden.

Kribverlaging

Door het verlagen van de kribben kan het water gemakkelijker worden afgevoerd. De functie van de kribben (het op zijn plaats en op diepte houden van de vaargeul) blijft behouden.

Obstakelverwijdering


Door het weghalen of stroomlijnen van bebouwing in het winterbed, wordt de doorstroom van het winterbed bij hoogwater verbeterd.

Zomerbedverdieping



Door verdieping van het zomerbed kan de rivier bij hoogwater meer water afvoeren.

Dijkverbetering



Dijkverbetering is het hoger maken (en verbreden) van een dijk, of het door technische ingrepen versterken van de dijk om een hogere waterstand te kunnen keren.

Waterberging



Bij een uitzonderlijke combinatie van een gesloten stormvloedkering én grote rivierafvoeren naar het benedenrivierengebied, doet het Volkerak-Zoommeer dienst als tijdelijke waterberging.


Link:
http://www.ruimtevoorderivier.nl/

vrijdag 1 januari 2010

4/6VWO Leefwereld Wonen in Nederland Deltacommissie Samenvatting 2009

De opdracht…

De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit te brengen over de bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij gaat het om de vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook op de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen overstromingen, en een aantrekkelijke plaats is en blijft om te leven; wonen, werken, recreëren en
investeren.

…en de invulling

Daarbij was de vraag breder te kijken dan naar (water)veiligheid alleen. In de visie is daarom ook gelet op samenhang met wonen en werken, landbouw, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. Veiligheid en duurzaamheid zijn de twee pijlers voor de strategie van de komende eeuwen. Naast bescherming tegen het water, benadrukt en benoemt het advies de kansen voor de Nederlandse samenleving.

Waterveiligheid

In het advies speelt ‘waterveiligheid’ een cruciale rol. Hierbij gaat het om de bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening.

Het zekerstellen van waterveiligheid voorkomt slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting, het voorkomt schade aan economie, landschap, natuur, cultuur en reputatie.

Het advies gaat ervan uit dat een veilig Nederland een collectief maatschappelijk belang is waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen. Het veiligheidsniveau moet tenminste een factor 10 hoger dan het huidige niveau.

Duurzame kansen

De aanbevelingen van de commissie leggen de nadruk op het kunnen meeontwikkelen met klimaatverandering en andere ecologische processen, ze zijn kosteneffectief en hebben een maatschappelijke meerwaarde.

De aanbevelingen zijn flexibel en geleidelijk te realiseren en bevatten handelingsperspectief voor de korte termijn. Met de uitvoering ervan is Nederland in staat de effecten van klimaatverandering beter op te vangen en nieuwe kansen te creëren.

De voorgestelde ingrepen in het advies moeten duurzaam zijn: bij de uitvoering ervan moet efficiënt gebruik worden gemaakt van water, energie en andere grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de leefomgeving niet alleen behouden blijft maar zelfs wordt verbeterd.

Uitvoering: het Deltaprogramma

Voor de uitvoering van het advies voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland heeft de Deltacommissie het Deltaprogramma opgesteld. Dit programma wordt financieel (Deltafonds) en politiek-bestuurlijk verankerd in een vernieuwde Deltawet.

Samenvatting

De urgentie (voor uitvoering) van het advies is groot. Nederland heeft een achterstand in te lopen omdat niet wordt voldaan aan de huidige geldende normen. Bovendien zijn de normen achterhaald en moeten naar boven worden bijgesteld. Daarnaast verandert het klimaat snel, stijgt de zeespiegel waarschijnlijk sneller dan aangenomen en neemt de (extreme) variatie in rivierafvoeren naar verwachting toe. Het economisch, maatschappelijk en natuurlijk belang van Nederland is groot en groeit verder; een dijkdoorbraak heeft zeer ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.

De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een zeespiegelstijging van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in 2200. Het effect van bodemdaling is hierin meegenomen. Deze waarden vertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van wat Nederland mogelijk te wachten staat.


De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Voor de maximale afvoer van de Rijn moet rond 2100 rekening worden gehouden met ongeveer 18.000 m3/s. Voor de Maas komt dit op ongeveer 4.600 m3/s (huidige maatgevende afvoeren zijn respectievelijk: 16.000 m3/s en 3.800 m3/s).


Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger droogteperioden en indringend zout water via de rivieren en het grondwater zetten de zoetwatervoorziening van het land onder druk. Dit leidt tot schadelijke gevolgen voor de drinkwatervoorziening, landbouw, scheepvaart en (koel)water gerelateerde economische sectoren.

Kosten

Met de uitvoering van het Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van 1,2 à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 een bedrag van 0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogramma wordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast.


Als deze zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust met bijvoorbeeld 1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functies als recreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van 0,1 à 0,3 miljard euro per jaar. Bedragen zijn uitgedrukt in prijspeil 2007 en zijn inclusief BTW.

Link: bewerkt naar
http://www.deltacommissie.com/

4/5/6VWO Aarde Klimaatvraagstukken KNMI

Klimaatverandering en Broeikaseffect

Het klimaat lijkt een stabiele factor, maar er zijn allerlei klimaatvariaties. Het klimaat verandert onder invloed van natuurlijke factoren en, sinds het midden van de 20e eeuw, onder invloed van de mens via het versterkte broeikaseffect. Wereldwijd en ook op het KNMI wordt veel onderzoek gedaan naar zowel de natuurlijke als de menselijke klimaatfactoren en naar de werking van het complexe klimaatsysteem

Begrip van het klimaatsysteem is belangrijk om uitspraken te kunnen doen over de ontwikkeling van het klimaat in de toekomst.


Hoe werkt het klimaat?

De aarde wordt verwarmd door de zon. Een deel van de zonnestraling wordt teruggekaatst en een ander deel wordt omgezet in warmte.

Zonnestraling warmt de aarde op en de aarde straalt de warmte weer uit. Broeikasgassen houden de warmtestraling vast. Hierdoor is de aarde +15°C i.p.v. -18°C. Extra uitstoot van broeikasgassen (versterkt broeikaseffect) verhoogt de temperatuur verder.

Broeikasgassen, zoals waterdamp en CO2, leggen een warme deken om de aarde. Een deel van de warmtestraling van de grond wordt vastgehouden. Zonder dit warme-deken-effect zou de aarde veel kouder zijn.

Wind en oceaanstromingen spelen een belangrijke rol bij de verdeling van de warmte over de aarde. Deze warmtetransporten zorgen ervoor dat er een temperatuurverschil tussen de tropen en de polen is.


De relatie tussen de atmosfeer, de oceaan, het landoppervlak, sneeuw en ijs en de biosfeer is van groot belang. Bijvoorbeeld: planten nemen CO2 op, de oceaan neemt warmte op, ijskappen en woestijnen weerkaatsen zonnestraling sterker dan bos en toendra en smeltend ijs maakt de oceaan minder zout. Deze processen kunnen elkaar versterken of verzwakken.

Zo leidt een opwarming van de oceaan tot meer verdamping. Dat versterkt het broeikaseffect, waardoor de oceaan nog warmer wordt. Hierdoor ontstaat extra verdamping, maar die onttrekt anderzijds ook warmte aan de oceaan en heeft daardoor een koelende werking op het zeewater.

Er zijn tal van effecten die elkaar beïnvloeden, waardoor het lastig is om te ontdekken hoe verstoringen in het klimaatsysteem doorwerken.

Schematische weergave van de elementen, processen en onderlinge interacties van het klimaatsysteem.

Hoe ontstaan klimaatveranderingen?

Er zijn verschillende oorzaken voor variaties van het klimaat, zoals verschuivingen van continenten en zeestromen, inslagen op aarde van kometen of meteorieten, verhoogde vulkanische activiteit, variaties in de aardbaan, veranderende zonneactiviteit, het chaotisch gedrag van de atmosfeer, veranderend landgebruik en recent de door menselijke activiteiten toegenomen hoeveelheid kooldioxide en andere broeikasgassen in de atmosfeer.

El Niño

Vissers in Peru merkten eeuwen geleden al dat de vis verminderde. Oorzaak was het plotseling warmere water aan de kust, dat dan veel armer is aan voedsel. Dat gebeurde meestal rond Kerst, vandaar de naam El Niño (Kerstkind).


Tegenwoordig bedoelen we periodes waarin warm water zich langs de kust en de evenaar over een groot deel van de Stille Oceaan uitstrekt. Een koelere tijd wordt La Niña (het meisje) genoemd.

El Niño komt gemiddeld om de drie tot zeven jaar voor. Tijdens El Niño wordt het evenwicht tussen de drie variabelen verstoord: de thermociline, de passaatwinden en de watertemperatuur. Bijvoorbeeld door een westerstorm vanuit het westen van de Grote Oceaan.

Door de westelijke wind verplaatst het warme water richting het oosten naar Zuid-Amerika. Het zeewater langs de westkust van Zuid-Amerika wordt daardoor warmer.

Boven het zeewater wordt de luchttemperatuur beïnvloedt door de watertemperatuur. Het verschil tussen de watertemperatuur en de luchttemperatuur neemt af. Hierdoor neemt ook het verschil in luchtdruk af.

Hoe kleiner het verschil in luchtdruk, hoe lager de windsterkte zal zijn.

Door minder luchtdrukverschil zullen de normale ZO-passaatwinden afzwakken. Hierdoor zal een westenwind over de Grote Oceaan waaien. Dit patroon in de luchtdruk veranderingen wordt Zuidelijke Oscillatie genoemd.

Boven Indonesië ontstaat een hogedrukgebied en wordt het droger. Bij Zuid-Amerika en zuidelijk Noord-Amerika wordt het natter.

Bovendien wordt het zeewater warmer, waardoor orkanen kunnen ontstaan, terwijl die normaal niet in de oostelijke Grote Oceaan voorkomen.

De gevolgen van een El Niño voor het weer, met name voor temperatuur en neerslag, zijn groot. Bijvoorbeeld overvloedige regen in droge woestijnen en droogte waar het normaal veel regent.

Menselijke invloed

Het klimaat verandert van nature, maar ook de mens heeft invloed. In een studie van het KNMI is gekeken naar het effect van variaties van de zonnestraling, van vulkaanuitbarstingen en van El Niño. Daaruit blijkt dat de waargenomen temperatuurtoename in de eerste helft van de 20e eeuw komt door natuurlijke oorzaken: een afname van vulkaanactiviteit en een toename van zonneactiviteit.

In de tweede helft van de 20e eeuw kunnen natuurlijke oorzaken de snelle stijging niet verklaren: de zonneactiviteit nam nauwelijks verder toe, terwijl er sinds 1960 drie grote vulkaanuitbarstingen zijn geweest.

Als we deze factoren bekijken is er sprake van menselijke invloed.

Temperatuur in de wereld

De gemiddelde wereldtemperatuur is de afgelopen 100 jaar tussen de 0.56 en 0.92 graad gestegen. De stijging is niet gelijk over de wereld verdeeld: grote landmassa's en de poolgebieden zijn sneller opgewarmd, de oceanen en tropen minder snel. Klimaatmodellen waarin menselijke invloeden niet zijn meegenomen kunnen de waargenomen stijging niet verklaren. Als de invloed van broeikasgassen en stofdeeltjes wel wordt meegenomen is de overeenstemming tussen de berekende temperatuur en de waargenomen temperatuur goed. Ook de patronen van opwarming komen dan in grote trekken overeen.

Tot het eind van deze eeuw wordt een verdere gemiddelde wereldtemperatuur-stijging verwacht tussen de 1,1 en 6,4°C ligt t.o.v. 1990. Het grote verschil komt door de onzekerheden in de uitstoot van broeikasgassen en over de terugkoppelingen in het klimaatsysteem, die het effect kan versterken of verzwakken.

Neerslag in de wereld

Neerslag (regen, sneeuw, hagel) is veel wisselvalliger dan temperatuur. Bovendien is het effect van het versterkte broeikaseffect op neerslag minder simpel dan het effect op temperatuur. Men verwacht meer neerslag in de tropen, een afname in de subtropen en een toename op hogere breedtegraden. Langs de evenaar zijn grote gebieden waar meer neerslag verwacht wordt.


De toename in de winterneerslag in Noord-Europa en noordelijk Noord-Amerika is duidelijk te zien. Er is een afname van regen in Noord-Afrika. De waargenomen afname van de neerslag in West- en Centraal-Afrika en de toename in zuidelijk Zuid-Amerika en Noordwest-Australië passen niet in het simpele theoretische beeld.


Stormen

Bij de polen is de instraling van de zon minder dan bij de evenaar. Daardoor ontstaat een temperatuurverschil tussen evenaar en polen dat een compenserend warmtetransport veroorzaakt. Zowel de oceanen als de atmosfeer dragen bij aan dit warmtetransport.

Op de gematigde breedten wordt dit poolwaartse warmtetransport voornamelijk verzorgd door depressies. Deze depressies en de bijbehorende stormen zijn dus grote warmtepompen. Hoe groter het temperatuurverschil tussen pool en evenaar, hoe meer warmte deze depressies moeten transporteren.
Doordat de polen, door het albedo effect, sterker zullen opwarmen dan de evenaar neemt het temperatuurverschil tussen pool en evenaar af.

Hieruit zou men kunnen concluderen dat de intensiteit en frequentie van stormen zullen afnemen. Maar een toename is ook mogelijk doordat hoger in de atmosfeer het temperatuurverschil tussen pool en evenaar zal toenemen door de afkoeling op grotere hoogten bij de polen. Bovendien zal in een warmere atmosfeer het harder gaan regenen bij stormen. De warmte die daarbij vrijkomt kan de stormen intenser maken. In dat geval zullen er misschien minder, maar wel zwaardere stormen ontstaan. Ook de oceaanstromingen kunnen veranderen waardoor de verdeling van het totale warmte transport over de atmosfeer en oceaan verandert.

Stormen ontstaan voornamelijk aan de westkant van de oceanen en bewegen zich, onder invloed van de straalstroom, over het algemeen oostwaarts. De gebieden waarin deze stormen ontstaan en voortbewegen noemt men stormbanen. Er ontstaat een poolwaartse verschuiving rond 2050 voor de Noord Atlantische Oceaan.

Warme Golfstroom

Klimaatmodellen laten in de 21e eeuw een langzame afname zien van de thermohaliene circulatie (THC of ‘Warme Golfstroom’) in de Atlantische Oceaan van ongeveer 25%. Met als gevolg in Noordwest-Europa een koelende werking. Ondanks deze koeling is er in de Noord-Atlantische regio sprake van een netto opwarming.


Een afname van de THC zorgt voor een temperatuurdaling in Noordwest-Europa. De THC-afname ontstaat door de grotere opwarming van de noordelijke breedtes. Het netto-effect is een THC die geleidelijk afneemt en de temperatuurstijging door het broeikaseffect in Noordwest-Europa enigszins tempert, maar zeker niet zorgt voor een afkoeling.

Zeeijs

De zeeijsbedekking in het Noordpoolgebied is sinds 1978 met gemiddeld ongeveer 2 tot 3% per 10 jaar afgenomen. In beide poolgebieden neemt de hoeveelheid zeeijs in de loop van de 21e eeuw af. Tegen het eind van deze eeuw zal het Noordpoolgebied in de nazomer voor een groot gedeelte ijsvrij zijn.


De snelheid waarmee de zeeijsbedekking afneemt is afhankelijk van de uitstoot van broeikasgassen. Dit betekent dat er geen dik, meerjarig ijs meer over zal blijven in het Noordpoolgebied, maar dat al het aanwezige ijs is gevormd in de vorige winter.

Een belangrijke oorzaak van deze snelle afname in zeeijsbedekking is de grote temperatuurstijging in poolgebieden ten opzichte van het wereldgemiddelde. Dit wordt veroorzaakt door het albedo effect.


IJs en sneeuw kaatsen bijna al het zonlicht terug. Wanneer de temperatuur stijgt en het ijs en de sneeuw smelt wordt meer zonnestraling opgenomen door de zee of het land. De temperatuur stijgt hierdoor nog meer. Dus smelt er nog meer sneeuw en ijs.


Zeespiegelstijging

Gedurende de 20e eeuw is de zeespiegel wereldwijd gestegen met ongeveer 17 centimeter. Volgens het IPCC zal de zeespiegel gedurende de 21e eeuw wereldwijd met 18 tot 59 centimeter stijgen. De oorzaken zijn de uitzetting van het zeewater, het smelten van gletsjers en kleine ijskappen en het slinken van de grote ijskappen op Groenland en Antarctica.

Op sommige plaatsen is de afkalving aan de randen van de Groenlandse en de West-Antarctische ijskap de laatste jaren sterk toegenomen. Als deze versnelde afkalving doorzet in de 21e eeuw kan de zeespiegel verder stijgen. Oceanen en ijskappen reageren erg traag op veranderingen in de atmosfeer. Daarom zal de zeespiegelstijging nog eeuwen doorzetten, zelfs als de temperatuur na 2100 niet meer zou stijgen. Alleen al door de uitzetting van het zeewater zal het zeeniveau in 2300 ongeveer 30 tot 80 centimeter hoger zijn dan in de 20e eeuw.

De Groenlandse ijskap zal in dit warmere klimaat blijven slinken en dus bijdragen aan zeespiegelstijging. Bij een gematigde stijging van de temperatuur zal de ijskap vrijwel geheel verdwijnen in enkele duizenden jaren.

De Antarctische ijskap blijft zó koud dat het oppervlak nauwelijks zal gaan smelten. De sneeuwval neemt toe, waardoor de ijskap de komende eeuwen gaat groeien. Maar de ijskap kan netto massa verliezen als de afkalving aan de randen overheerst.

Koraalverbleking

Koraalriffen zijn zeer kwetsbaar. Een temperatuurstijging van het zeewater van een paar graden kan zorgen voor ‘bleaching’. Het koraal verbleekt, doordat eencellige algen, die in het koraal leven en het zijn felle kleur geven, verdwijnen.

De algen produceren ook het voedsel voor de koraalpoliepen, waardoor de koraalpoliepen sterven. Een koraalrif bestaat uit koraalpoliepen die een uitwendig kalkstenen skelet bouwen die samen een koraalrif vormen. Het koraalrif is de leefomgeving van veel zeeorganismen zoals zeewier, algen, vissen en weekdieren. Als het koraalrif verdwijnt, verdwijnen ook deze organismen.

Toename methaan

In New Scientist van 11 augustus 2005 wordt gemeld dat de permafrost in Siberië over een oppervlak zo groot als Frankrijk en Duitsland aan het smelten is door de opwarming van ongeveer 3 graden in dit gebied over de laatste veertig jaar.

Methaan is na kooldioxide het belangrijkste gas dat bijdraagt aan de versterking van het broeikaseffect door de mens. Variaties in de hoeveelheid hangen sterk samenhangen met veranderingen in temperatuur en kooldioxide (CO2). De ijstijden kenden de kleinste hoeveelheden methaan, terwijl deze in warme periodes (interglacialen) weer toenamen. In de ongestoorde atmosfeer was het methaan voornamelijk afkomstig uit natte gebieden, zoals moerassen en venen, maar ook van bomen en planten.

Wetlands (veen- en moerasgebieden), zoals de smeltende permafrost zijn een belangrijke bron van methaan (CH4), een van de broeikasgassen. Methaan is ongeveer 2/3 afkomstig van de mens, o.a. van de verbranding van fossiele brandstoffen, rijstverbouw en veehouderij. Natuurlijke bronnen vormen ongeveer 1/3 van de totale hoeveelheid methaan die jaarlijks in de atmosfeer wordt uitgestoten.

Methaan is als broeikasgas ongeveer twintig maal zo krachtig als kooldioxide (CO2). Gelijktijdige toenames van temperatuur en methaan zijn ook gevonden via ijskernenonderzoek. Deze methaantoename is niet voldoende om de bijbehorende temperatuurstijging van enkele graden geheel te verklaren.

Beantwoord de volgende vragen:

1a Beschrijf het broeikaseffect?
  b Beschrijf het versterkte broeikaseffect?
  c Wat is het belang van wind en oceaanstromingen?

2a Hoe werkt het klimaat? Beschrijf de relatie tussen de atmosfeer, de oceaan, het landoppervlak, sneeuw en ijs en de biosfeer.
 b Leg uit hoe opwarming van de aarde kan zorgen voor afkoeling van de oceaan?

3  Beschrijf El Nino?

4  Noem twee factoren waardoor er geen duidelijk beeld is over de verwachte temperatuurstijging op aarde.

5  Verklaar hoe de neerslag wereldwijd verandert in:
 a de tropen?
 b de subtropen?
 c Noord-Europa en noordelijk Noord-Amerika?
 d Noord-Afrika?

6a Waardoor neemt het temperatuurverschil tussen pool en evenaar af?
  b Waardoor is er een toename van stormen mogelijk?

7 Wat is het gevolg van een langzame afname van de THC op Noordwest-Europa?

8  Wat is naast de opwarming van de aarde een belangrijke oorzaak van de snelle afname van het zeeijs?

9a Noem twee oorzaken voor de zeespiegelstijging?
  b Waardoor zal de Antarctische ijskap nauwelijks smelten?

10a Geef een fysische verklaring voor de toename van methaan?
    b Geef een sociale verklaring voor de toename van methaan?